Politiek

 

 

VRIJHEID VAN ONDERWIJS

Gelet op de actuele ontwikkelingen in het onderwijsveld in de provincie Limburg is het noodzakelijk zich te bezinnen op de essentie van het confessionele en openbaar onderwijs en daarmee op de gelijkberechtiging van ouders. Opmerkelijk is dat onze samenleving nu geconfronteerd wordt met een vierde schoolstrijd. Niet in de vierde fase, maar een op zichzelf staande vierde strijd die beoogt, net als in de eerste (maar nu onder andere omstandigheden) de ontwikkelinghet openbaar onderwijs te frustreren.

“De eerste schoolstrijd”(vóór 1917). In 1917, zo men wil 1920, kwam een einde aan wat nog steeds de schoolstrijd genoemd wordt.  In 1917 werd het onderwijs artikel in de grondwet gewijzigd en in 1920 werd een en ander uitgewerkt in de Lageronderwijswet. De grondwetswijziging kwam tot stand onder het extraparlementair kabinet van de liberaal Cort van der Linden (1913-1918). De Lageronderwijswet werd aangenomen tijdens het kabinet Ruys de Beerenbrouck I, samengesteld uit de Rooms-katholieke Staatspartij RKSP), de (gereformeerde) Antirevolutionaire Partij (ARP) en de (hervormde) Christelijk-historische Unie (CHU); alle zijn inmiddels opgegaan in het CDA.  De “eerste schoolstrijd” – daarna kwamen er nog vier -  ging, wordt gezegd, alleen tegen de openbare school, bedoeld voor kinderen van alle gezindten: katholieken, protestanten en joden. Aanvullend konden kerkgenootschappen specifiek godsdienst onderwijs geven voor de eigen achterban. Dat alles was bij wet geregeld, en steeds verbeterd (1806, 1857, 1878). In principe ging hetb om een strijd tussen de orthodoxe godsdienstige nominaties. Elke wilde de samenleving herkerstenen.

Geen integratie. In principe wilden rechtzinnige protestantse en rooms-katholieke ‘leiders’ de samenleving naar eigen model  herkerstenen. In principe was het de controverse uit de 16e eeuw toen Luther, Calvijn en Zwingli de Rooms-katholieke Kerk wilden hervormen en vanuit Rome een contra offensief werd ingezet. Toen koning Willem I besloot om de Onderwijswet (1806) uit de Bataafse tijd – met een openbare lagere school voor alle gezindten als regel – over te nemen deed hij dat om de integratie van alle gelovigen te bevorderen en op die manier een harmonische samenleving na te streven. [1] Daarom verzetten orthodoxe protestanten en rooms-katholieken zich tegen het regeringsbeleid.[2]

Zelf scholen oprichten was financieel nog niet haalbaar, hoewel daarvoor in de jaren 1880 wel subsidie beschikbaar kwam. Volledige financiering, naar dezelfde maatstaven als het openbaar onderwijs, was pas mogelijk toen de belastingopbrengsten (na invoering van een vermogens-en inkomstenbelasting) toereikend waren geworden. Daarom stelde het kabinet Cort van der Linden (1913-1918) een breed samengestelde staatscommissie in om een oplossing te bedenken. Zij bestudeerden niet alleen het onderwijsprobleem, aangekaart door de confessionelen, maar ook de door liberalen en socialisten gewenste modernisering van het politieke stelsel.[3] Hier wordt alleen stilgestaan bij de onderwijshervorming.

Grondwetswijziging 1917. In 1917 legde de Staten Generaal voor het confessioneel lager onderwijs in de grondwet vast dat het geven van onderwijs vrij was en dat het confessioneel onderwijs “volgens de eisen van deugdelijkheid” bekostigd zou worden uit de openbare kas “met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.” Daaronder werd verstaan: “de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers.”  Cruciaal was dat de overheid werd verplicht het Bijzonder Onderwijs naar “dezelfde maatstaf als het Openbaar Onderwijs” te financieren. Wel behield zij het toezicht op de kwaliteit, “de deugdelijkheid en bekwaamheid en de zedelijkheid” van onderwijzend personeel. Het ging nadrukkelijk om confessioneel onderwijs voor de eigen kinderen. Als confessionele kamerleden geëist hadden dat confessionele scholen ook anderen zouden gaan toelaten, waren liberalen en sociaaldemocraten beslist niet akkoord zijn gegaan met wetswijziging. [4]  De SDAP had in 1902 op haar congres in Groningen in dezelfde geest een motie aangenomen; zij wilde de christelijke arbeiders niet langer van zich vervreemden. [5]

Het Openbaar Onderwijs mocht, net als daarvoor het geval was, alleen “met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen” gegeven worden. Bovendien moest elke gemeente “een genoegzaam aantal (openbare) scholen hebben.” [6] Inmiddels was door de Rooms-katholieke Kerk al (in 1864 en ‘65) bepaald hoe het katholiek onderwijs in principe moest worden ingericht en waarom dat zo moest en niet anders. De paus zou in 1929 in een encycliek nog nadere bijzonderheden decreteren. [7] De kinderen moesten doordrongen worden van de enige juiste leer, de rooms-katholieke. Daartoe moesten speciale lesmethoden worden gemaakt. Jongens en meisjes moesten gescheiden onderwijs krijgen; verwezen werd naar de erfzonde.[8] Zelfs werd geëist dat het Openbaar Onderwijs onder een katholiek bestuur moest komen als katholieke kinderen daar, bij ontbreken van katholiek onderwijs, gebruik van moesten maken.

“De tweede schoolstrijd” (na 1917). Toen de eerste schoolstrijd voor de confessionelen met succes was beëindigd, volgde automatisch een tweede. Deze werd gevoerd tussen de twee concurrerende christelijke stromingen. Beide bleven zich uiteraard gelijktijdig inzetten voor de liquidatie van het (resterende) openbaar onderwijs. In Limburg zou op manifestaties als de ‘Katholieken Dagen” daartoe opgeroepen worden met als leuze: “Limburg aan Christus.” In de gestichte rooms katholieke scholen werd alles uit de kast gehaald om het protestantisme, socialisme en liberalisme te kritiseren. Tevens werd gestreefd naar het stichten van zoveel mogelijk rooms-katholieke organisaties waardoor van jong tot oud, laag tot hoog, netwerken ontstonden waarin de geestelijkheid een dominante rol speelde.[9]

Curieus is dat beide contrasterende stromingen in de landelijke politiek toch waren gaan samenwerken om hun gemeenschappelijke belangen te dienen. Daartoe hadden hun politieke leiders (Kuyper en Schaepman) al in de jaren 1880 een politieke filosofie ontwikkeld die bekend is geworden als “de antithese”: de opvatting dat de tegenstellingen tussen christenen en niet- gelovigen (“paganisten”) groter waren dan die tussen de christenen onderling. In 1925, dus vijf jaar na de nieuwe Lageronderwijswet, kreeg het Centraal Bureau voor RK onderwijs en opvoeding van de bisschoppen de opdracht een modelcorrespondentie te maken die parochies konden gebruiken om openbare scholen te veranderen in rooms-katholieke.[10] Limburgse gemeenteraden bleken alleszins bereid daaraan mee te werken. Ouders die vast wilden houden aan de openbare school werden volstrekt genegeerd. [11] Zo werd het rooms-katholiek onderwijs in Limburg dominant niet alleen voor wat betreft het lager maar ook, later, ook het voortgezet onderwijs.

“De derde schoolstrijd” (ca. 1960-1990). Sinds de jaren ‘60 kreeg ook Limburg door allerlei oorzaken een ander gezicht.[12] Met de toenemende mondigheid en secularisatie ontstond bij Limburgse ouders behoefte aan openbaar onderwijs. Tegen hen werd alles uit de kast gehaald om dat te voorkomen. De scholen die nu bestuurd worden door de Stichting Akkoord zijn toen, na een felle schoolstrijd die soms op plaatselijk, provinciaal en landelijk politiek niveau (zoals in Sevenum) voltrok afgedwongen.

Op landelijk niveau ontstond ook een tweede polemiek. Die ging over de zogenaamde samenwerkingsschool. De samenwerkingsschool was bestudeerd en beschreven door een landelijke studiecommissie, samengesteld uit katholieken, protestanten en humanisten. Deze commissie kwam tot de conclusie dat samenwerking alleen ethisch verdedigbaar was als alle deelnemers bestuurlijk en onderwijsinhoudelijk een gelijkberechtigde positie innamen en de “levende ander” (G. Wielenga) aanwezig was.[13] Opmerkelijk is dat tot de voorstanders van samenwerkingsscholen ook behoorde de directeur van het Centraal Bureau voor Katholiek Onderwijs, Mr. C. Schelfhout. Toen hij staatssecretaris van Onderwijs werd (kabinet Biesheuvel 1971-1973) en de mogelijkheden voor samenwerkingsscholen onderzocht en wilde bevorderen, werd hij door zijn partijgenoten afgebrand. Schelfhout werd in de volgende kabinetten (Den Uyl en Van Agt 1) vervangen door drs. Klaas de Jong Ozn, die bij zijn aantreden meedeelde “Meer dan ooit tegen de samenwerkingsschool” te zijn. Hij zou woord houden; naar zijn staatssecretariaat zou hij voorzitter worden van de Unie School en Evangelie. De confessionele onderwijskoepels en lokale confessionele partijen verzetten zich niet alleen tegen de komst van meer openbare scholen maar ook tegen de samenwerkingsschool, waarin alle ouders een gelijkberechtigde positie  hadden. Zij eisten een meerderheidspositie of kozen voor een oecumenische school waarin alleen aan de protestanten en katholieken gelijkwaardigheid werd toegekend, zoals in Den Helder.

“De vierde schoolstrijd” (anno nu). Naarmate de secularisatie toenam en daarmee de belangstelling voor (pluriform) openbaar onderwijs bleef groeien, ontstond er voor confessionele schoolbesturen een principieel probleem. Moesten ze leerlingen die niet katholiek of niet protestant waren wel toelaten? Besloten werd dat alleen te doen als de ouders de grondslag van de school respecteerden en deze ook niet in medezeggenschapsraden ter discussie zouden kunnen stellen (wat bij wet werd vastgelegd). In Limburg voerden katholieke schoolbesturen een nieuwe strategie die nu zeer actueel is. Zij zijn zich bewust van het feit dat de Limburgse bevolking terugloopt, een prognose die onlangs opnieuw bevestigd is.[14] Onder invloed hiervan heeft de katholieke onderwijs koepel gekozen voor een nieuwe strategie die erop gericht is de ontwikkeling van het totale onderwijs in eigen hand te houden door die van het Openbaar Onderwijs in de greep te krijgen en houden

Venray. Zo zijn in Roermond en Venray openbare scholen ondergebracht in besturen waar de openbare poot altijd een minderheidspositie heeft. Formules die ontwikkeld zijn door onder meer het Centraal Bureau voor katholiek onderwijs en die sporen met de huidige principes van de Rooms-katholieke Kerk, zoals door J.W.M Hendriks samengevat in een proefschrift dat in 1986 “summa cum laude” werd aanvaard door de pauselijke universiteit Gregoriana te Rome.[15]

Eén uitvloeisel daarvan is de Stichting Samenwerkingsbestuur Primair Onderwijs Venray. Artikel 6 lid 2 luidt dat “de katholieke en protestant-christelijke scholen (-) toegankelijk (zijn) voor alle leerlingen… tenzij de leerlingen, hun ouders of verzorgers niet instemmen met de doelstelling en de grondslag van de school”. Het bestuur bestaat uit zes leden, waaronder de voorzitter, op voordracht van uit de gezamenlijke katholieke scholen, twee leden op voordracht van uit de gezamenlijke openbare scholen en een op voordracht van uit de protestants christelijke school”(art.10.1 levert dus altijd een confessionele meerderheid op.[16] Bovendien kunnen nieuwe confessionele scholen gesticht worden door kinderen toe te laten die niet-, of anders confessioneel zijn, zonder dat op positieve wijze rekening gehouden hoeft te worden met hun identiteit. Dit is strijdig met het eerste artikel van onze grondwet: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

Opvallend is dat het confessioneel onderwijs als geheel en, constructies als in Venray, door de confessionele partijen verdedigd worden op grond van artikel 23 van de grondwet (hetzelfde artikel als in 1917 geformuleerd is). Dat is niet juist! De enig juiste interpretatie van artikel 23 is dat, gelet op de bedoeling van de wetgever, scholen die niet meer zuiver confessioneel zijn hun formele identiteit behoren te wijzigen in een openbare. Winstpunt is voor degenen die, in Limburg, “goed katholiek” onderwijs willen is dat dát dan mogelijk is. Een opvatting die eertijds door bisschop Gijsen naar voren is gebracht. Wie nu zou willen opponeren tegen het gemarchandeer van katholieke schoolbesturen als Dynamiek kan zich niet alleen beroepen op artikel 23, de Kerkelijke voorschriften inzake het katholiek onderwijs en ….op het Burgerlijk Wetboek.[17] Curieus is dat de huidige bisschop van Limburg, Mgr Wiertz, noch zijn coadjutor De Jong, de moed heeft zich sterk te maken voor zuiver katholiek onderwijs, maar zich wel enige tijd geleden erg opwond over de progressie van de Islam in Nederland.

Horst aan de Maas. In Horst aan de Maas is recent door de Stichting Akkoord[18] vastgesteld dat er in het centrum voldoende belangstelling is voor een Openbaar school. Als reactie hierop is door Dynamiek, de regionale katholieke koepel, besloten de daar gelegen katholieke school tot een openbare om te bouwen (met behoud van personeel). Merkwaardig is dat de gemeenteraad van Horst aan de Maas daarmee instemde met steun van de Partij van de Arbeid.[19] De SP en VVD waren terecht uitgesproken tegen. De Partij van de Arbeid sluit niet uit, zo is mij gebleken, dat de openbare school in Grubbenvorst te zijner tijd wordt overgenomen door Dynamiek. Niet uitgesloten is  dat in Sevenum  geprobeerd  wordt  de daar florerende openbare school (‘De Krullevaar”) – nu bestuurd door Akkoord – in te lijven.[20]

In Maasbree leekt zich gelukkig een andere situatie voor te doen . De stchting Akkoord voor openbaar onderwijs, wild ook daar (gelet op de onderzochte belangstelling) in het centrum een Openbare school stichten en gemeenteraad en college stemmen in met de wensen van een werkgroep gesteund door de landelijke vereniging voor openbaar onderwijs (VOO). Directeur Joep Derkx deed het uiterste om het het aantal openmbare scholen uit te breiden. Hij werd … ontslagen. Inmiddels is de wet aangepast: Ook stichtingen voor openbaar onderwijs mogen actie ondernemen om openbare scholen op het scholenplan te krijgen. Het huidige bestuur van Akkoord lijkt dat niet te willen. Een merkwaardige zaak. Toch is er in Maasbree een groep ouders, geinspireerd door Margreet Schouren, die de moed nog niet heeft opgegeven.

Tot slot A: Duidelijk is dat de landelijke politiek behoort te streven naar of een strikte handhaving van artikel 23, en dus een verbod op constructies zoals die bedacht zijn in Limburg, dan wel de opheffing van dat artikel. In een nieuwe grondwettelijke tekst dient verwezen te worden naar het eerste artikel van onze grondwet, en dat onderwijs alleen recht heeft op overheidsfinanciering als daarmee rekening wordt gehouden.

Tot slot B: Stellingen

Stelling 1: Het streven van confessionele schoolbesturen om openbare scholen te beheren is strijdig met artikel 23 van onze grondwet (waarin dezelfde tekst staat als die in 1917 in de wet is opgenomen).

Stelling 2:  Gemeenteraden kunnen ethisch gezien niet meewerken aan de strategie van confessionele koepels die zich willen handhaven door oneigenlijke toepassing van artikel 23.

Stelling 3: Liberalen en socialisten ontkrachten hun emancipatorische principes als zij meewerken aan een poging van confessionele onderwijskoepels en partijen om de progressie van het Openbaar Onderwijs te frustreren.

Stelling 4: Confessionele partijen die meewerken aan constructies zoals instelling 2 genoemd hebben geen respect voor voorstanders van Openbaar Onderwijs en dragen bij aan de ridiculisering van bijvoorbeeld de katholiciteit.

Stelling 5: Het gemeentebestuur van Venray dient het besluit te nemen niet langer te participeren in de Stichting Samenwerkingsbestuur Primair onderwijs Venray en regio en de openbare scholen onder te brengen bij een op te richten autonome stichting voor openbaar onderwijs.[21]

Zie aanvullend de samenvating van mijn proefschrift, in de subrubriek historie

 

 

 

 

 

 



[1] Hij scheef in 1827: Het credo geen rede(n) van twist”. J.A. Bornewasser “het credo… Geen rede van twist” in: Archief voor geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland (1977) 234-287,271. Zie ook:A.A. de Bruin Het ontstaan  van de schoolstrijd  in de Noordelijke Nederlanden gedurende de eerste helft van de 19e eeuw; een cultuurhistorische studie (Barneveld 1985), verdedigt als proefschrift aan de rijksuniversiteit Leiden .

[2] In het begin van de 19e eeuw waren alleen de (orthodoxe) protestanten, de zgn. gereformeerden, ontevreden over het Openbaar Onderwijs. In de Republiek der Verenigde Nederlanden (tot 1795) was hetOpenbaar Onderwijs namelijk meestal gereformeerd. Zij hadden dus een flinke veer moeten laten. Rooms-katholieke voormannen vonden dat toen nog uitstekend. Hun standpunt veranderde pas toen de Rooms-katholieke Kerk zich, dankzij de liberale grondwet van 1848, steeds verder had kunnen ontplooien en geleidelijk aan kon beschikken over (gratis) personeel (mannelijke en vrouwelijke geestelijken).

[3] Liberalen en sociaaldemocraten wilden invoering van het algemeen kiesrecht en het parlementaire stelsel (afschaffing van het districtenstelsel).

[4] Voor discussie in de Staten Generaal over de grondwetswijziging: W. J. van Welderen Rengers Schets eener Parlementaire Geschiedenis van Nederland, IV, ‘s-Gravenhage 1955, 142-186

[5] Pieter Corver, “De Groninger schoolmotie van de SDAP”, in: Het achtste jaarboek voor democratisch socialisme (Amsterdam 1987) 15-54

[6] Voor discussie in de Staten Generaal over de grondwetswijziging: W. J. van Welderen Rengers Schets eener Parlementaire Geschiedenis van Nederland, IV, ‘s-Gravenhage 1955, 142-186

[7] Over de geestelijke opvoeding der jeugd, De Nederlandse vertaling en publicatie dateert van 1942. Uitgave Gooi en Sticht, Hilversum.

[8] Indien de splitsingsnormen hen alsnog samen in een klas brachten, mochten ze niet gezamenlijk op het speelplein, zoals in Kronenberg (gemeente Sevenum).

[9] Bisschoppelijke voorschriften (-) betreffende de RK Arbeidersorganisatie (1918)

[10] Analecta Bisdom Roermond.

[11] Joos van Vugt “De verzuiling van het lager onderwijs in Limburg 1860-1940” in: Archief voor de geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland, 1981, 17-60.

[12] André A. de Bruin Het andere gezicht van Limburg (Amsterdam, 2000).

[13] G. Wielenga “De confessionele school nu”, in: Paedagogisch Mozaïek, s’Hertogenbosch 1969. Wielenga, eertijds hoogleraar pedagogiek aande vrije Universiteit (Amsterdam) stond mede aan de wieg van de eerste samenwerkingsschool, de Open school gemeenschap Bijlmermeer

[14] Bevolking prognose 2008-2040, een onderzoek van de provincie Limburg. Zie ook Dagblad de Limburger, zaterdag 26 januari 2008, hoofdartikel.

[15] De katholieke school. De ontwikkeling van het kerkelijk denken over het katholiek onderwijs van concilie tot codex (Brugge 1986)

[16] Curieus is dat katholieke besturen vaak naar ouders toe uitdragen dat hun scholen in de praktijk óók openbaar zijn en dat het dus geen verschil maakt als alle scholen onder één bestuur komen.

[17] BW, art.301, lid1c:” Een stichting wordt door een beschikking van de rechtbank ontbonden: indien het doelvan de Stichting is bereikt of niet meer kan worden bereikt”.

[18] Een stichting opgericht door gemeentebesturen ten behoeve van openbare scholen.

[19] Eén fractielid is directeur van een katholieke school en devoorzitter van de Partij vande Arbeid is voorzitter van de Raad van Toezicht van Dynamiek. Eén lid, Richard van der Weegen, maakte een voorbehoud, terwijlRoy Bouten afwezig was. Inmiddels is in de afdeling ongerustheid ontstaan over het gevoerde en te voeren beleid.

[20] Mij is gebleken dat dezelfde personen die zich eertijds verzet hebben tegen de komst van deze school nu opnieuw van zich laten horen. Verwacht mag worden dat de (cda)wethouder van onderwijs zich hiertegen niet zal verzetten…

[21] Gebleken is dat de stichting in twee nieuwe wijken één protestantse school heeft gesticht en het voornemen heeft in een andere wijk een katholieke school te stichten (wat niet doorging) waarbij zelfs in de prognose uitgegaan is v

an een mogelijke deelname van leerlingen die niet-confessioneel zijn, dan wel respectievelijkopenbaar onderwijszouden willen.

=============================================================================================

 PIM FORTUYN, verwekker van het Fortuynisme

Gevoelens van onbehagen blijken steeds weer te kunnen leiden tot sociale bewegingen. Ook in Nederland. Dat bleek in de jaren 1930 en in 2002 toen Pim Fortuyn een politieke aardschok te weeg bracht, die inmiddels ook Wilders heeft bereikt. Drie vragen dringen zich op voor wat betreft het tijdperk Fortuyn. Hebben de omstandigheden van de jaren ’30 en die van rond 2000 zodanige gemeenschappelijke trekken dat daaruit de sociale bewegingen zijn te verklaren, of stond elke beweging op zichzelf? Heeft het Fortuynisme betekenis gekregen voor de vitalisering van onze democratie? Tot slot: Was Fortuyn een fascist, zoals beweerd en zo niet, wat voor soort leiderschap en ideologie representeerde hij dan wel? Redenen te over om daar allereerst bij stil te staan.

 FASCISME

Vastgesteld is dat er een verband bestaat tussen enerzijds de opkomst van het Nederlandse fascisme, de positieve uitstraling van fascistische partijen in Italië, Portugal en Duitsland en anderzijds de grote sociaal-economische problemen, het politieke onvermogen deze op te lossen en het wantrouwen in de democratie als systeem. De problemen rond de jaren dertig waren zorgwekkend: massale werkloosheid met rijen stempelende arbeiders, werkverschaffingskampen, bezuinigingen op steun, salarisverlagingen, een zeer beperkt zorgpakket, veel onverzekerden, t.b.c., toenemende criminaliteit, verslaving, prostitutie, rebellie tegen huurverhoging, muiterij op de vloot, opkomend nationalisme in Nederlands Indië.[1]

Het wantrouwen dat daardoor in onze democratie ontstond sloot naadloos aan bij het complexe defaitisme ontstaan als reactie op de Eerste Wereldoorlog, de Spaanse griep, de Russische revolutie en het radencommunisme, politieke moorden, rechtse en linkse knokploegen, paramilitaire eenheden in het ontregelde Duitsland, volksfronten, de Spaanse Burgeroorlog, de dictatuur van Hitler. Een attitude die nog versterkt werd door het – in hun ogen naïeve, want absolute – geloof in internationale rechtspraak, ontwapening en pacifisme, de daarmee samenhangende mondiale democratisering en de verwachte toenemende welvaart voor ieder als gevolg van de globalisering. Elke ideologie en stemming werd gereflecteerd in de literatuur en kunst.

De pessimisten – of waren het, terugblikkend, juist realisten? – meenden zelfs dat de westerse beschaving haar vitaliteit verloren had, dan wel een diepe crisis doormaakte. Of zoals Huizinga in De schaduwen van morgen (1935) schreef: “Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij (-). Alom (is) de twijfel aan de hechtheid van het maatschappelijk bestel, waarin wij leven, een vage angst voor de naaste toekomst, gevoelens van daling en ondergang der beschaving.” Een stemming die door Carel Willink verbeeld werd in De terechtstelling (1933) en Château en Espagne (1939). [2]

Alternatieven in de jaren 1930

In Nederland werd vooral in rooms-katholieke en fascistische kringen gepleit voor een corporatief staatsbestuur en een sterk leiderschap.[3] Als alternatief voor het parlementaire stelsel. De Antirevolutionaire Partij (ARP) meende dat het staatsrecht uitgekleed moest worden tot op het niveau van 1848, om het van daaruit te reconstrueren. [4] Antirevolutionairen waren generatie na generatie opgevoed met een afkeer van volkssoevereiniteit en socialisme. Net als de rooms-katholieken wie onder meer de weg gewezen werd in pauselijke encyclieken – Rerum Novarum (1891) en Quadragesimo Anno (1931) – alsmede door de concordaten van paus Pius IX met Mussolini en Hitler die ook een corporatief stelsel voorstonden. Niet vreemd dus dat in 1936 een studie van de RKSP verscheen over de invoering van het corporatisme met alle staatsrechtelijke consequenties.[5] Het rooms katholieke corporatisme sloot nauw aan bij het gedachtegoed van de NSB – opgericht in 1931, geleid door een respectabel ingenieur – die de grootste en best georganiseerde van de fascistische partijen zou worden met een – overigens financieel niet onderbouwde – boodschap voor werkloze arbeiders, de ploeterende kleine boeren en tuinders, winkeliers die de concurrentie met het grootwinkelbedrijf niet aankonden, havenbaronnen wier belangen gediend waren bij een goede relatie met Duitsland.[6] Mussert verweet de Nederlandse politici onvermogen vanwege het democratische kiesstelsel; volgens hem een belachelijk bedenksel uit de 18de eeuw. Alleen met een corporatief stelsel en hem als leider zouden de belangen van iedereen behartigd kunnen worden, konden de arbeidsvoorwaarden verbeterd worden, betere ouderdomsvoorzieningen en … een ziekenfondswet, waarover al meer dan tien jaar gesteggeld werd, tot stand komen. [7] Hij dacht dus, naar zijn zeggen, niet alleen ‘sociaal‘, maar ook ‘nationaal’ en nam (lang) afstand van het (naar zijn zeggen, toen) agressieve Duitse nationaal-socialisme en stond (tot ’37) joden toe lid te worden.[8]

Naast de NSB opereerden, behalve een vijftal fascistische, nog tientallen pretentieuze rechtsgeoriënteerde populistische en pragmatische partijtjes. [9] Uiterst links pleitten leninisten voor dictatuur van het proletariaat en planeconomie. Daarentegen bleven ‘linkse’ liberalen (VDB) en sociaal-democraten (SDAP) hopen dat middels het democratische, parlementaire stelsel de problemen zo goed mogelijk zouden kunnen worden opgelost. Hun geloof in het internationale recht – en een pacifistische koers – ebde weg naarmate duidelijker werd dat de Volkenbond een reus op lemen voeten was.

Fascisme onder de loep

Het Nederlandse episcopaat nam weliswaar stelling tegen het fascisme, maar deed dat, als vanouds, ook in één adem tegen het liberalisme en socialisme. [10] Opmerkelijk is dat de Roomse Kerk het fascisme alleen afwees als totalitair stelsel. Werden er toen door Comités en individuele auteurs – ter waarschuwing of verdediging – analyses en theorieën gepubliceerd over de diverse vormen van het fascisme, na 1945 werd geleidelijk een begin gemaakt met wetenschappelijk onderzoek.[11] In essentie is daarin geconcludeerd dat het Nederlandse fascisme, met name de NSB, steun kreeg uit alle lagen en levensbeschouwelijke denominaties van de bevolking en dat de winst in 1935 ten koste van alle partijen was gegaan.[12] Logisch: Wie was er niet getroffen door de crisis?

De aanhang verschilde, zo bleek, naar regio en lokale omstandigheid. In streken nabij Duitsland en in grote steden werd goed gescoord. Waar de confessionele verzuiling minder hecht was (Zuid Limburg) en waar sterke persoonlijkheden de kant van de NSB hadden gekozen (zoals in Winterswijk), kon ook op een grotere steun gerekend worden. Maar ook als de confessionele structuur wel bestond (zoals in het land van Maas en Rijn) waren veel kleine boeren en veetelers geneigd op een fascistoïde club te stemmen omdat een van hen, ook een katholiek, zich overtuigend wist te profileren. Ook de Katholieke Universiteit Nijmegen bleek een kweekplaats voor fascistische intellectuelen te zijn.[13] Kapitalisten – volgens de communisten, kijkend naar Duitsland, bij uitstek de steunpilaren van het fascisme – bleken als categorie niet voor het fascisme te hebben gekozen; onder hen waren ook tegenstanders. Bij antirevolutionairen en uiteraard vooral rooms katholieken kon de keuze voor het fascisme ook verklaard worden door sympathie voor het corporatisme en een afkeer van het onderlinge ‘geruzíe’ tussen de ruim 50 partijen. Daaronder bevonden zich niet alleen populistische partijtjes, naar het voorbeeld van de Rapaillepartij. Dat was een bedenksel van de bohémien Erich Wichman, die een volkse beweging in gang probeerde zetten met de zwerver Hadjememaar, een populaire zuiplap, als lijsttrekker. Dit om te bewijzen dat de nieuwbakken kiesgerechtigden manipuleerbaar waren met een programma waarin “vrij vissen in het Vondelpark en goedkope jenever” in het vooruitzicht gesteld. [14] De Economische Bond (Treub) was daarentegen uitgesproken pragmatisch.

De NSB bleef klein, ondanks haar hechte organisatie. Het verkiezingsresultaat van Mussert mocht in 1935 (Provinciale Staten) heel wat lijken (7,94%), maar al in 1937 (Tweede Kamer) bleek een terugval (4,22%), zij het dat er plaatselijk soms nog goed gescoord werd. De verzuiling bleek, mede met haar media, te sterk. Colijn sprak meer aan dan Mussert.

Fortuynisme

 Fortuyn als mediahype

Hoe anders waren de levensomstandigheden in het begin van de 21ste eeuw. Van cultuurpessimisme was geen sprake. Over de verzorgingstaat, de politieke stabiliteit en het poldermodel werd in de buitenlandse pers gunstig geoordeeld. Wim Kok gold als een navolgenswaardig politicus. De kritiek kwam van de zijde van de SP en GL, terwijl het CDA – gehandicapt door interne spanningen – voorzichtig mee ging doen. Met de komst van Pim Fortuyn op het politieke toneel, die in betrekkelijk kleine kring naam had gemaakt als columnist in Elsevier, werd het politieke klimaat steeds grimmiger. Hij werd in persoon een partij én een mediahype, een geziene TV-gast.[15] Een bezienswaardigheid: met kale kop, kostbare kostuums, exclusieve stropdassen, een dure auto met chauffeur, een eigen standaard, een statige villa, een parvenu die hoog opgaf van zijn (niet geannoteerde) publicaties. Een intellectueel die zich niet geneerde voor one-liners. [16] Een homo die darkrooms bezocht. Die in de (nog resterende) Rotterdamse achterstandswijken op handen werd gedragen, omdat hij over buitenlanders zei wat zij nooit gemogen hadden. Pim was van ver gekomen. Eerst voelde hij zich aangetrokken tot de CPN, het werd achtereenvolgens de PvdA – dacht nog even aan het CDA, dat hem niet lustte, schoof verder op naar de VVD, naar Leefbaar Nederland, Leefbaar Rotterdam om uit te komen bij zijn eigen club, De Lijst Pim Fortuyn. Voor tegenstanders toonde steeds minder respect. Wouter Bos werd ‘een lekker ding’ en Thom de Graaf ‘die krullebol’. Els Borst werd zelfs Bin Laden. En, hoe hij ‘mijnheer Melkert’ uitsprak … Tezelfdertijd beschuldigde hij zijn tegenstanders ervan juist hém te demoniseren; wat niet geheel onjuist is. Dat hij door Leefbaar Nederland aan de kant was gezet, kon hem niet deren. Zelfs zijn dood kon het fortuynisme niet keren. Nederland was in zijn ban geraakt. Postuum scoorde de LPF 26 zetels. [17]

Programma en aanhang

De aanval van Fortuyn op Paars was totaal. Voor nuances was weinig ruimte. Alle narigheid was ontstaan in acht jaar Paars. Voor wie wat verder keek had, voor zover daar al sprake van was, natuurlijk ook het CDA schuld daaraan. Maar daarover zweeg hij, zoals afgesproken met Balkenende. Zo bleef het CDA (beoogde regeringspartner) in de luwte. De minister van Volksgezondheid (Borst, D66) kreeg de volle laag. Balkenende durfde bij zoveel mediageweld al te schrijven over De wederopbouw van Nederland. Alsof Nederland zich op het niveau van de na-oorlogse jaren bevond! Fortuyn ging vooral te keer over de levensomstandigheden in de achterstandswijken, de onveiligheid op straat, de wachtlijsten in de zorg, het immigratie- en integratiebeleid, de ‘islamisering van onze cultuur’, het cultuurrelativisme, de schaalvergroting in het onderwijs, het (sociale) Rijnlandse model, de vakbeweging, het openbaar vervoer, het wegennet, de doorgeschoten liberalisering (water, elektriciteit), de Haagse regenten, de bureaucratisering, de omvang van de defensie, de ontwikkelingshulp, het subsidiebeleid in de landbouw en veeteelt, het milieubeleid, de sluiting van Borsele.[18] Al het slechte werd gedefinieerd als oude politiek. De nieuwe werd aanbevolen als afbraak daarvan. Zijn achterban van sociaal zwakkeren leed aan fantoompijn, wist hij. Daar wilde hij wel aandacht aan besteden, zei hij. Maar wat dat voor de sociaal kwetsbaren betekende werd door hen niet gezien. Pim was en bleef hun grote held.

Geen aandacht schonk hij aan de financiële consequenties van zijn totale programma; de macro-economische en sociale gevolgen van de door hem bepleite liberalisering van de zorgverzekering, de medische zorg en de gedeeltelijke privatisering van de WAO.[19] De structurele problemen van de zorgverzekering sinds de invoering van de Ziekenfondswet en de vergeefse oppositie van de ziekenfondsen tegen het monopolie van de (para)medische kartels die steeds gesteund waren door confessionele regeringspartijen en de VVD bleven onbesproken.[20] Het feit dat tijdens Paars de budgettering van zorginstellingen (bedoeld om de uitgaven beneden 10% van het BNP te houden) gedicteerd werd door de VVD-minster van Financiën (die hij nodig zou hebben bij een regeringsformatie), kreeg evenmin bijzondere aandacht. De aanval richtte zich vooral op de PvdA en D66. Met z’n vrienden sprekend over Melkert zei hij:”Het is hij of ik”.

Bevreesd voor de toenemende invloed van de radicale aanhangers van de Islam wilde Fortuyn de scheiding van Kerk en Staat optimaliseren. Hij was daarin bepaald niet consequent. zo legde hij in Rotterdam, als politicus, de eed af in plaats van de belofte. Dat ten zuiden van de grote rivieren in vele raadszalen crucifixen hingen, dat ambtsdragers, na hun installatie, niet zelden als zodanig ingezegend werden en participeren aan processies heeft hem nooit tot een uitspraak kunnen bewegen. Dat daardoor de benoembaarheid van burgemeester (GW, art 13) in het geding was, vermocht Fortuyn evenmin tot een filippica inspireren. Dezelfde oorverdovende stilte handhaafde hij over de feitelijke uitsluiting van humanistisch georiënteerde geestelijke verzorgers voor buitenkerkelijken in zorginstellingen. Ondanks de gewijzigde levensbeschouwelijke voorkeuren, zoals aangetoond door het Sociaal Cultureel Plan Bureau en de strijdigheid met de Kwaliteitswet Zorginstellingen. [21] Familie en aanhangers deden niet voor hem onder en gaven hem, als politicus, een openbare rooms-katholieke begrafenis, geleid door een conservatieve antihomo bisschop.

Fortuyn wilde het partijprogram aan hemzelf ondergeschikt maken. Hem stond – als bewonderaar van Kennedy – het Amerikaanse presidentiële stelsel als ideaal voor ogen. Naarmate de politiek meer direct naar de burger verplaatst werd zouden partijen en vakbeweging aan macht verliezen. Ook daarom pleitte hij voor een rechtsreeks gekozen minister-president, een gekozen burgemeester, een raadplegend referendum. Eenmaal gekozen tot minister-president zou er pas goed een begin gemaakt kunnen worden aan de afbraak van “de Linkse Kerk”.

Allereerst en vooral vond Fortuyn veel bijval onder bewoners van oude wijken die zich al heel lang geërgerd hadden aan buitenlanders, de onveiligheid, de junks: De verloedering van hun buurt. Deze aanhangers zagen niet in dat de belangen van de medische specialist en de projectontwikkelaar – die Fortuyn ook con amore steunden – verschilden met die van de doorsnee ziekenfondspatiënt en huurder van een eenvoudige woning. Ieder had zijn eigen belangen op het oog. Iedere koesterde zijn eigen ‘Pim’.

Historische parallel?

Dat de problemen van de jaren ’30 objectief vele malen groter waren dan die tijdens Paars, is irrelevant voor de verklaring van de opkomst van Fortuyn. Kiezers oordelen niet op basis van historische vergelijkingen. Ze zien alleen hun eigen sores en Fortuyn wist deze als geen ander te bespelen. Bovendien werd Fortyun, anders dan Mussert, niet gedwarsboomd door machtige verzuilde instituties en sentimenten. De zendgemachtigden die nog als zodanig doorgingen, verwelkomden hem wat graag in hun actualiteitsprogramma’s.

Bij de verkiezingen van mei 2002 bleek de LPF “een tamelijk brede volkspartij” geworden, die vooral had gescoord in de randstad, met uitlopers naar Brabant en Limburg en in gemeenten waar de opkomst traditioneel laag was. De LPF haalde 17,3% van de stemmen (26 zetels). In het Noorden en Oosten sloeg ze niet bijzonder aan. Onder jongeren was de LPF zeer populair (22%). Van de lager geschoolden kreeg de LPF 21%, uit de middengroepen 18% en de hogere 11%. De stemmen kwamen in vrijwel gelijke percentages van mannen en vrouwen. De PvdA bleef alleen in Amsterdam en Utrecht overeind. Opmerkelijk was dat de moord op Fortuyn geen extra stemmen opleverde.[22] Het CDA fungeerde als vluchtheuvel, werd de grootste partij, waarna Balkende I (met de VVD en de LPF) een feit werd. In korte tijd zou zich daarna het demasqué van de LPF gaan voltrekken.

Politieke positionering

Zo kort na de dood van Fortuyn kon uiteraard niet worden vastgesteld – ofschoon er al wel een vergaderzaal naar hem vernoemd zou worden en Rotterdam een standbeeld kreeg – of hij een politieke erfenis van betekenis zou nalaten. Temeer niet omdat hij een puinhoop in eigen gelederen achterliet; zijn keuze van beoogde volksvertegenwoordigers getuigde te vaak niet van grote mensenkennis. Daarom is men misschien geneigd zijn invloed te bagatelliseren. Fortuyn heeft wel degelijk een politieke erfenis nagelaten, zo blijkt nu. Wilders heeft hem geërfd.

Hoewel de politieke agenda van Fortuyn niet in alle opzichten uniek was, slaagde hij er als geen ander in deze tot gespreksthema te maken in de huiskamer en de kroeg. [23] Zelf aan het woord wekte hij de indruk dat hij een totaal politieke nieuwe visie lanceerde, hoewel ze in lijn lag van het vernieuwingsproces van de jaren zestig. [24]

Met vermijding van allerlei details kan worden vastgesteld dat het fortuynisme zich heeft onderscheiden. Allereerst heeft Fortuyn de traditionele tegenstelling links-rechts, in navolging van D66 – verder afgebroken (zie hetgeen boven verwoord over zijn politieke programma)[25]. Fortuyns programma bevatte zowel linkse als rechtse thema’s. Tegenover de zgn. “oude politiek’ plaatste hij met succes een nieuwe, die van de directe democratie. Het dualisme, gericht op de afbraak van de ‘regentenoligarchie’, met het doorbreken van de “taalmanupilatie”(Couwenberg) en een ontbureaucratisering.[26] De onveiligheid op straat, de levensomstandigheden in de oude wijken zijn, dank zij hem, hoger op de politieke agenda gekomen, hoewel vooral in grote steden al zeer veel bereikt was op het gebied van de stadsvernieuwing. Essentieel is zijn invloed op de immigratiediscussie, de discussie over de discriminatie van moslima’s. [27] Ook over de scheiding van Kerk en Staat, het behoud van de Nederlandse cultuur, wordt nu consequenter nagedacht. Zo bepleitte de minister van Justitie om die reden voor afschaffing van het ambtsgebed. Hoewel hij privatisering van de WAO en de zorg bepleitte (omdat daardoor medische zorg te lang op zich zou laten wachten), wees hij privatisering af voor wat betreft de spoorwegen en de energiebedrijven.

Zijn taalgebruik was glashelder. Wie dat niet deed werd gefileerd, zoals Agnes Kant in een TV-discussie ervoer, nadat ze had gezegd dat allerlei problemen ‘te complex’ waren voor een simpele reactie. Verbaal begaafd verklaarde Fortyun, in navolging van Franz Jozef Strausz, te zeggen wat hij dacht. En hij riep aanhangers op hetzelfde te doen. Door dit alles vitaliseerde Fortuyn de partijdemocratieën. [28] Politieke leiders, symbool van de oude politiek, moesten opstappen. Het FNV raadpleegde vervolgens haar leden over akkoorden in de SER bereikt.

Omdat de politieke strijd zich tijdens Fortuyn meer naar de televisie verplaatste gingen partijen, meer dan tevoren, rekening mee houden dat hun woordvoerders op het tv-scherm goed moeten ogen, acteertalent moeten hebben en welbespraakt dienen te zijn. Hoewel de invloed van het fortuynisme in de meeste partijen goed merkbaar blijkt, is er één partij, de VVD, die zich vooral één specifiek deel van de erfenis van Fortuyn (immigratie, integratie, Islam) heeft toegeëigend. Wilders, die (tot ergernis van zijn VVD-fractie) toen al geen uitspraak te dol was, en Van Baalen, de look-a-like van Wiegel, pleitten in dit verband nadrukkelijk voor wat zij noemen een conservatieve koers.[29] Ayaan Hirsi Ali heeft, vanuit de VVD en daarna individueel, lang als geen ander de discriminatie van de moslima’s onder ieders aandacht gebracht. Zelfs durfde zij Mohammed aan westerse maatstaven te toetsen. De kritiek op artikel 23 (dat aan islamitisch onderwijs dezelfde rechten toekende) heeft bij andere partijen geen navolging gevonden, mede omdat daarvoor de grondwet gewijzigd zou moeten worden.[30]

Fortuyn fascist?

Mensen als Fortuyn worden uiteraard ook disproportioneel bewonderd. Menigeen bleek na zijn dood “een (postuum) lijntje met Pim” te hebben. Smalhout schreef hagiografietjes die men zonder enige moeite over elkaar kan leggen.[31] Spong en Hammerstein meenden de vervuiling van de politieke discussie en de moord, geheel te kunnen herleiden tot een haatcampagne tegen Fortuyn, die wel gekruisigd móést worden.[32] Daarbij hadden zij nauwelijks oog voor wat Fortuyn zelf allemaal over zijn opponenten had gezegd. Uitspraken die door Smalhout bij de oprichting van het Wetenschappelijk Bureau van de LPF werden gebagatelliseerd. Pim zou slechts grapjes hebben gemaakt, zoals die over de zwaarlijvigheid van Erica Terpstra. In de media en publicaties is Pim Fortuyn echter geëtiketteerd als een betweter, koning van Nederland, een volksleider die liefde zocht en gaf, de ontdekker van linkse complotten, een handelsreiziger in herrie, een man die opstond tegen een natie van navelstaarders. Kortom, om met Hubert Smeedts te spreken – met een knipoog naar Nietzsche – hij was De man met de hamer.[33]

Toen Fortuyn zijn pijlen richtte op Paars zagen sommigen in hem een “nieuwe Mussolini” (Bas Eenhoorn, VVD). “Een fascist” (Telegraaf) met “de charme van Himmler en de intelligentie van Hitler” (Trouw). Met hem als minister-president – zou Nederland in Europa een “pleefiguur” slaan (Bolkestein). De socioloog Van Doorn noemde hem een charlatan. [34]

In de buitenlandse pers is “Fortuyn vergeleken met Haider en Le Pen. Een beeldvorming die Fortuyn weliswaar terecht verontwaardigd afwees, maar die hij grotendeels aan zichzelf te wijten had omdat hij (zoals zijn woordvoerder Kay van de Linde zou toegeven) opzettelijk overdreef. Daarna herriep of relativeerde hij zonodig standpunten of beweerde dat zijn woorden verkeerd waren geïnterpreteerd. Voor Berlusconi mag hij dan grote bewondering hebben gehad, maar met Mussolini of nog erger, Hitler, had hij in elk geval geen verwantschap. [35] Fortuyn pleitte niet voor een dictatorschap, een corporatieve samenleving, noch een racistische koers. Hij was evenmin een militarist (wilde defensie inkrimpen en was tegen de aanschaffing van de JSF) en riep op de nationale integriteit van andere staten te respecteren. Wilde geen knokploegen. Wel bepleitte hij een algemene (sociale) dienstplicht voor jongens en meisjes. [36] Zijn aanhangers verschenen niet in uniform, aanvaardden naar hun zeggen geen hiërarchie; wilden zeggen wat ze dachten en geen taboe onberoerd laten. Van een mythologische visie op de Nederlandse geschiedenis, zoals de fascisten die hadden ontwikkeld, was evenmin sprake. [37]

Met Pels en Couwenberg ben ik van mening dat Fortuyn ten onrechte geattaqueerd is om zijn standpunt over de Islam. Het ging hem alleen om de radicale vorm daarvan en de taalachterstand van de voormalige gastarbeiders. In de discussie over artikel 1 van de grondwet wees hij op de mogelijke strijdigheid daarvan met de vrijheid van godsdienst en een absolute vrijheid van onderwijs.[38] Dat deze wereldgodsdienst in zijn ontwikkeling en culturele status als geheel is achtergebleven is was toen een onloochenbaar gegeven. De status questionis over Pim Fortuyn wordt nog steeds vooral bepaald door Pels en Couwenberg. Pels heeft het fortuynisme een serieuze plaats gegeven in het gehele politieke spectrum, van links tot rechts. Couwenberg heeft het vooral een plaats toegekend in het moeizame proces om de democratie te vitaliseren; een moeizame weg die hij ook zelf heeft trachten te begaan, door actief te participeren: via het CDA, D66 en Leefbaar Nederland. Fortuyn heeft een dergelijke poging gedaan, maar hem werd een actieve deelname in het voorste gelid niet mogelijk gemaakt. [39]

Riskante aspecten van het fortuynisme

Bedenkelijk acht ik dat Fortuyn partijprogramma’s ondergeschikt achtte aan de politieke leider, allereerst aan hem dus. Met zijn bemiddelde vrienden, ook haters van “de linkse Kerk” – advocaten, medische specialisten, eigenaars van vastgoedondernemingen, projectontwikkelaars – voorstanders van liberalisering van ‘de markt’, welke dan ook, werd een nieuwe partij opgericht en gefinancierd, genoemd naar haar geestelijke vader. Gevaarlijk vind ik ook dat Fortuyn in staat was de massa te manipuleren. Waar die in beweging kwam en komt is de ratio verdwenen; heerst das gesundes Volkskempfinden.

Overduidelijk is dat Fortuyn streefde naar veel macht door middel van een presidentieel stelsel en het partijwezen en de vakbeweging wilde marginaliseren, terwijl hij ook een toenemende liberalisering van het sociaal-economische leven voorstond. Hij miskende daarbij de sociale waarde van de vakbeweging en de stabiliserende invloed daarvan. In staat tot manipulatie had hij misbruik kunnen maken met een stortvloed van referenda, waarvan ook hij een warm voorstander was.

Edmund Burke riep in 1792 op om lessen te trekken uit de Franse revolutie, die breuk met middeleeuwse structuren waarover tot de dag van vandaag nog gedelibereerd wordt. Regeringen moesten, volgens Burke, tijdig rekening houden met wat het volk werkelijk bezig hield, welke behoeften de veranderende samenleving had.[40] Couwenberg, die een groot deel van zijn leven gewijd heeft aan de vitalisering van de democratie, heeft opgeroepen om – na de dood van de grote gangmaker – alert en actief te blijven.[41] Hij was bang dat de Fortuyn-revolte tot stilstand zou komen. Hoewel de geschiedenis leert dat elke revolutionaire periode gevolgd wordt door een van matiging, van evaluatie van hetgeen gebeurd is, kan van Geert Wilders, als nazaat van Pim Fortuyn, niet gezegd worden dat hij op het politieke strijdtoneel terughoudend optreedt. Integendeel. Het Fortuynisme is door hen in sterke mate gereactiveerd.

Dit essay is een geactualiseerde bijdrage van het artikel dat in 2004 verschenen is in Civis Mundi, gewijd aan de Fortuyn-revolte in discussie.

[1] o.m. P.de Rooy, Werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding. Landelijk en Amsterdams beleid (Amsterdam1979); R.Kloosterman, Werkloosheid in Nederland 1920-1939 (Utrecht 1985); H.A. Klemann, Nederland 1938-1948. Economie en samenleving in jaren van oorlog en bezetting (Amsterdam 2002) maakt duidelijk dat de depressie in Nederland voor 1933 vooral een direct gevolg was van de crisis in Duitland, terwijl daarna het Duitse autarkische beleid herstel vetraagde. W.A. Bonger, Criminalité et conditions economiques (Amsterdam 1935); J.C. van der Stel, Drinken, drank en dronkenschap (-) (Amsterdam 1985); Marieke Horst,’Stationsjuffrouwen en loslopende meisjes’, in: Ons Amsterdam, 41e jaargang, 209 e.v.; J.C.H. Blom, De muiterij op De Zeven Provinciën (Bussum 1975); J. Pluvier, Indonesië: kolonialisme, onafhankelijkheid, neo-kolonialisme (Nijmegen 1978).

[2] Oswald Spengler, Der Untergang des Abendlandes, Umrissen einer Morphologie der Welgeschichte, (Berlin 1918-1922). Het eerste deel sloeg vooral in Duitsland, volgens Johan Huizinga, in “als een bliksemstraal”, zo schreef hij in De Gids (1921): J. Huizinga, Verzamelde werken, deel IV, 441. José Ortega y Gasset, De opstand der horden (’s Gravenhage 1933), is een verzameling krantenartikelen (met tal van onvermijdelijke herhalingen) waarin een onbestuurbare wereld voorspeld werd (107);”De ideeën van de gemiddelde man zijn geen waarachtige ideeën evenmin is zijn bezit cultuur” (113); “De massamens heeft geen enkele culturele belangstelling (-). Hij is alleen geïnteresseerd in “verdovingsmiddelen, auto’s en dergelijke” (122); ”De ontwikkelde mensen van tegenwoordig lijden aan een ongelofelijke onkunde met betrekking tot de geschiedenis”(134). “Bolsjewisme en fascisme zijn tekenen van een wezenlijke achteruitgang” (134). E. du Perron, “De smalle mens”, in Verzameld werk II, 501-527, neemt onder meer allerlei idealisten op de korrel nam, van Rousseau tot Henriette Roland Holst. Menno ter Braak wees in “Het tweede gezicht” op het feit dat zelfs intellectuelen richting Hitler bijdraaiden:Verzameld Werk, deel 3 (Amsterdam 1980) 485-489. Johan Huizinga, In de schaduwen van morgen (1935 en een herdruk in 1938): Verzamelde Werken (Haarlem 1950), deel VII, 313-428. Huizinga wees daarin ook op een veldwinnende opvatting dat het gebruik van bacteriologische wapens verdedigbaar was. Carel Blotkamp en Yve Koopmans, Magie en zakelijkheid. Realistische schilderkunst in Nederland 1925-1945 (Zwolle z.j.). Hubert van den Berg, Dada, een geschiedenis (Nijmegen 2004).

[3] Een kleine selectie: H.F.J. Keip, De volkshuishouding in de corporatieve staat (Bussum 1934), gaf een schema van een corporatieve staatsinrichting, 30; W.J.J. de Muralt, De Toekomst van Nederland (Maastricht 1944). De tekst dateert uit 1942 geeft een historisch overzicht van het corporatieve denken. Arnold Meyer, Van democratische wanorde naar fascistische orde (Oisterwijk z.j.), gaf een schematische staatsinrichting met koningin Wilhelmina als centrale figuur. E. Brongersma, De opbouw van een corporatieve staat. Het nieuwe Portugal (Utrecht, medio mei 1940). De Salazar gold toen nog als een voorbeeldige staatsman. Hubert van den Berg, Dada, een geschiedenis (Nijmegen 2004).

[4] J.A. Jungman, Parlement en Kiezer 1936/1937, 67.

[5] G. Goseling e.a.,Rapport van de Commissie, belast met een onderzoek omtrent wijziging van ons staatsbestel (‘s- Gravenhage 1936). Het mag dan wel niet zijn ingevoerd, maar in het verkiezingsprogramma werd er wel impliciet naar verwezen.

[6] C.van Geelkerken (red), Voor volk en vaderland. De strijd der nationaal socialistische beweging 14 december 1931-mei 1941 (Z.P. 1941), passim. Jan Meyers, Mussert. Een politiek leven (Amsterdam 1984)

[7] A. en C. de Bruin, Zoekend naar zekerheid (-) (Hilversum 2000).

[8] Jan Meyers, Mussert (-) Robin te Slaa en Edwin Klijn De NSB. Ontstaan en opkomst van de Nationaal-Socialistische Beweging, 1931-1935 (Amsterdam 2009)

[9] Koen Vossen, Vrij vissen in het Vondelpark. Kleine politieke partijen in Nederland 1918-1940 (Amsterdam 2003); Zie voorts het overzicht van de kleine partijen op: www.inghist.nl

[10] Impliciet was dat gebeurd in de z.g. sociale encyclieken. Die van 1891(Rerum Novarum), aangevuld met de Syllabus errorum, en de herhaling daarvan uit 1931(Quadragesimo Anno). Expliciet in de bisschoppelijke brief van 10 december 1918 gericht tegen het socialisme als dwaling, en in het bisschoppelijke mandement van 1933 over het liberalisme, socialisme en communisme; het mandement van 1934 ging over het fascisme en nationaal-socialisme. In 1937 verscheen nog de encycliek Mit brennender Sorge, waarin geopponeerd werd tegen Hitler die zich niet hield aan Het Corcordaat. Een afspraak die nader werd toegelicht met de Rooms Katholieke leer en ethiek. Zonder dat er een expliciete veroordeling werd gegeven van de vervolgingen van andersdenkenden en de joden. In de Italiaanse en Duitse concordaten werd – ten nadele van de joden – de relatie fascisme – RK Kerk geformaliseerd: G.Lewey,The catholic church en Nazi Germany (New York 1964); Saul Friedländer, Nazi-germany and the jews, volume 1 (New York 1997); John Cornwell, Hitler’s pope (London 1999).

[11] I. Schöffer, Het nationaal-socialistisch beeld van de geschiedenis der Nederlanden (-) (Arnhem/Amsterdam 1957) wiens studie onlangs aangevuld is door Martijn Eickhoff, De oorsprong van het eigene: Nederlands vroegste verleden, archeologie en nationaal socialisme (Meppel 2003); L.M.H. Joosten, Katholieken en fascisme in Nederland 1920-1940 (Hilversum/Antwerpen 1964); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 1, “Het Voorspel”, in 1969. Hans Schippers, Zwart en Nationaal front(Amsterdam 1986); A.A. de Jonge, Crisis en critiek der democratie. Anti-democratische stromingen en de daarin levende denkbeelden over de staat in Nederland tussen de twee wereldoorlogen (Utrecht 1982); G.A. Kooy, Het echec van een ’volkse’ beweging. Nazificatie en denazificatie in Nederland 1931-1945 (Assen 1964); S.Y.A. Vellenga, Katholiek Zuid Limburg en fascisme (Assen 1975). Voor wat betreft Noord Limburg, zie repertorium Kleine Politieke Partijen, 1918-1967: de actie Bouwman (Zie: www.inghis.nl). Bouwman wist de onvrede te mobiliseren in het land van Maas en Waal. In 1940 zou hij lid worden van de NSB..; H.W. von der Dunk (red) In de schaduw van depressie. De NSB en de verkiezingen in de jaren dertig (Alphen aan de Rijn 1982). Peter Jan Knegtmans, Paul Schulten en Jaap Vogels, Colloborateurs van niveau (Utrecht 1996); J.TH.M. Houwink ten Cate en N.K.C.A. in ’t Veld, Fout. Getuigenissen van NSB‘ers (‘s- Gravenhage 1992). Robin te Slaa en Edwin Klijn De NSB. Ontstaan en opkomst van de Nationaal-Socialistische beweging, 1931-1935 (Amsterdam 2009). André A de Bruin Noord Limburg integraal bekeken. Zoektocht naar de wortels van een cultuur 1850-1950 (Sittard 2010) 177-190.

[12] Samenvatting in: Kooy, 314-316.

[13] Bekend hoogleraar daar was: H. de Vries de Heekelingen, Het fascisme en zijn resultaten (Oisterwijk 1927). Daarnaast was er ook distantie van de rassenleer: J.A.J. Barges, F.J. Buytendijk, J.E. Schulte, Het ras morphologisch, physiologisch en psychologisch beschouwd (Nijmegen 1939); Matieu Smedts, de latere hoofdredacteur van Vrij Nederland, heeft het universitaire fascisme als student meegemaakt. Hij wijst op het studentenblad De Dijk en De Unie van Katholieke Studentenverenigingen. Velen waren lid van de fascistische vereniging Dinaso. Mathieu: Smedts, Een weerbarstig katholiek (Utrecht 1966) 65,66.

[14] Koen Vossen, Vrij vissen in het Vondelpark. Kleine politieke partijen in Nederland 1918-1940 (Amsterdam 2002).

15] Definitie van P. Vasterman, Mediahype (2004):”een mediabrede, snel piekende nieuwsgolf die een gebeurtenis als startpunt heeft en die voor het grootste deel het gevolg is van zichzelf versterkende processen binnen de nieuwsproductie”. Ontleend aan de bespreking in de NRC/Handelsblad, 13-2-2004. Frank Ekckhardt, Pim Fortuyn und die Niederlande (2004) verklaart het succes in soortgelijke termen: Fortuyn was in persoon een programma. Met zijn dood verviel de attractie.

[16] Opvallend is dat degenen die over hem schreven ook vaak one-liners gebruikten: www.kb.nl terfwoord: Pim Fortuyn.

[17] Jutta Chorus en Menno de Galan, In de ban van Fortuyn. Reconstructie van een politieke aardschok (Amsterdam 2002). John de Mul Paniek in de polder. Polypolitiek en populisme in Nederland (Heerlen 2011)

[18] Herman Vuijsje Lof der dwang (Baarn 1989) wees al vroeg op het verval in de sociale controle, en de morele aansprakelijkheid, als gevolg van de individualisering, waardoor “het openbare domein, toch al aangetast, niet verdedigd, maar prijsgegeven werd. Hij zag de afschaffing van de conducteur en het toegenomen misbruik daardoor als karakteristiek verschijnsel. Ze verdwenen rond 1970 en kwamen vanaf 1991-2003 weer geleidelijk terug.; Pim Fortuyn, Aan het volk van Nederland (Rotterdam 1992); idem, De verweesde samenlevinG (Rotterdam 1995); Idem, De islamisering van onze cultuur. Nederlandse identiteit als fundament (Rotterdam 2001); idem, De puinhopen van paars (Rotterdam 2002 ). Vanuit deze schrifturen werd geprobeerd het Verkiezingsprogramma Lijst Pim Fortuyn, 2003-2007, op te stellen. (Zie: www.lijstpimfortuyn.nl)

[19] A. en C. de Bruin, Zoekend naar Zekerheid (-) (Hilversum 2000)

[20] H.C. van der Hoeven en E.W. van der Hoeven, Om welzijn of winst (Deventer 1993)181,182, 304-309.

[21] Circa 63% van de bevolking was toen al buitenkerkelijk (SCP, Culturele veranderingen in Nederland 1999), een lopend onderzoek dat opvraagbaar is. In het SCP-onderzoek werd en wordt gebruik gemaakt van de zgn. tweetrapsvraag. Het CBS weigert nog steeds dat te doen en blijft daardoor aan de oppervlakte. Voor dit methodologische verschil zie: SCP, Secularisatie in Nederland 1966-1991 (Rijswijk 1994) 47.

[22] NRC/HB, 16-5-2002.

[23] Een vergelijking van politieke programma’s is hier niet mogelijk. Zie de websites van de politieke partijen.

[24] S.W. Couwenberg, Opstand der burgers. De Fortuyn-revolte en het demasqué van de oude politiek (Budel 2004) 63

[25] Zie voor de links-rechts positionering en de invulling daarvan: Dick Pels, De geest van Fortuyn. Het gedachtegoed van een politieke dandy (Amsterdam 2003).

[26] Couwenberg, 20

[27] Eertijds wilde staatssecretaris Hans Simons vwb de vrouwenbesnijdenis nog akkoord gaan met een sneetje. Het werd een verbod. Aan de stadsvernieuwing was al veel eerder een hoge prioriteit toegekend, met goede resultaten. Dat overheden bij de drugsbestrijding en overlast van junks minder succesrijk zijn geweest, hangt samen met de gecompliceerdheid van de problematiek. Ook het LPF beleid in Rotterdam heeft daarin tot nu toe geen revolutionaire verbetering in kunnen aanbrengen.

[28] Bij het CDA dat tal van overbekende gezichten uit de Tweede Kamer had afgevoerd en bij het GPV/PPR – op weg naar de Christen Unie – was dat al eerder gebeurd.

[29] Meindert Fennema Geert Wilders Tovenaarsleerling (Amsterdam 2002) 89 e.v.

[30] In die discussie is tot nu toe achterwege gebleven dat het confessioneel onderwijs, door toelating van leerlingen van een andere denominatie, in principe haar grondrecht heeft verspeeld. De inzet van de schoolstrijd was de stichting van homogene confessionele scholen. De financiering daarvan werd in 1917 geregeld: A. de Bruin, Het ontstaan van de schoolstrijd (-) (Barneveld 1985). Inmiddels dient ook te worden gesteld dat elke leerling en ouder dezelfde rechten toekomen, wat consequenties behoort te hebben voor de invoering van pluriform levensbeschouwelijk onderwijs.

[31] Bob Smalhout, De erfenis van Pim. Op het scherp van de snede (’s-Gravenhage 2003).

[32] G. Spong en O. Hammerstein, ‘Vervolg ze tot in de hel’ De haat-zaai aangifte van Fortuyn (Amsterdam 2003)

[33] Zie www://boekrecensies.nrc.nl

[34] Zie voor deze en andere feiten: Chorus en De Galan, passim. Meer feitelijk in: G. Spong en O. Hammerstein, 22-33.

[35] Fascisme is ook een scheldwoord geworden, Hans Olink gaf daar aardige voorbeelden van (Hans Olink, “De eeuwige fascist (NRC/HB “ 21/22-02.04). De criminoloog Nagel omschreef de term eens als “het rotzakje in de mens”, maar degenen die Fortuyn een fascist noemden meenden dat hun typering wetenschappelijk juist was. Fortuyn was fascist noch ‘racist’. Wel waarschuwde hij voor een islamisering van ons land. Pim Fortuyn, De islamisering van onzer cultuur. Nederlandse identiteit als fundament (Rotterdam 2001)

[36] Sterker, Fortuyn wilde krijgsmachtonderdelen zelfs afschaffen en was (in de eerste druk van De Puinhopen) tegen de aanschaf van een supermodern gevechtsvliegtuig (JSF). Zie: De puinhopen (2002), 169 e.v.De Tweede Kamerfractie van de LPF, geleid door Mat Herben (eerder werkzaam bij Defensie) zou zelfs voor de aanschaf van de JSF stemmen!

[37] Waar Fortuyn een beeld schetst van de Nederlandse geschiedenis, zoals in zijn De verweesde samenleving, getuigt hij niet van grote kennis. Zo typeert hij de Nederlandse Opstand zuiver als een godsdienstoorlog. Ook negeert hij de Arabische invloeden op de westerse cultuur.

[38] S.W. Couwenberg, Opstand der burgers (-) Civis Mundi jaarboek 2004 (Budel 2004) 77 ev.

[39] Hij kreeg bij de PvdA, noch het CDA voet aan de grond, zie: Dick Pels, De geest van Pim. Het gedachtegoed van een politieke dandy (Amsterdam 2003); Couwenberg, Opstand (-)

[40] E. Burke, Reflections on the revolution in France (reprint, London 1970); Peter Viereck, Conservatism (New York 1956).

[41] In zijn Opstand.