Historie
Samenvatting proefschrift André de Bruin
Het ontstaan van de schoolstrijd. Onderzoek naar de wortels van de schoolstrijd in de Noordelijke Nederlanden gedurende de eerste helft van de 19e eeuw; een cultuurhistorische studie (proefschrift RUL Leiden 1985). Promotor prof. dr. I. Schöffer. Handelsuitgave. (Barneveld 1985) 364 pagina’s.
In Het ontstaan van de schoolstrijd zijn de oorzaken in de eerste helftvan de 19e eeuw onderzocht. Aangetoond is dat deze strijd, voor sommige protestantse auteurs een “Tweede 80-jarige Oorlog”, een diepgaand en ingewikkeld wortelstelsel heeft gehad en niet langer beschouwd kan worden als een ideologische controverse tussen Christendom en Verlichting die uitliep op een alles overheersende strijd van vele christelijke ouders voor “vrijheid van onderwijs” tegen de Nederlandse staat die daarbij tot zondebok werd aangewezen. Deze ‘oorlog’, zo wordt in dit proefschrift bewezen, was juist in belangrijke mate enerzijds een strijd tussen een elite van orthodoxe protestanten enerzijds en een selecte groep rooms-katholieken anderzijds en anderzijds een conflict tussen protestanten en katholieken onderling.
De theocratische opvattingen van de protestanten hadden een nieuwe dimensie gekregen door de maatschappelijke tegenslagen en rampen die vooral in de eerste helft van de 19e eeuw zo talrijk waren. Sommige orthodoxen (gereformeerden) verwachtten een spoedige wederkomst van Christus. Zij maakten daartoe exacte berekeningen en hoopten dat, voor het zover was, velen zich hadden bekeerd tot “het ware geloof. ” Bovendien waren ze erg verontrust dat in de openbare school het niet toegestaan was katholieken te bekeren.
Zij beoogden al met al de redding van eigen en andermans ziel en volgens sommigen indirect tevens de verbeteringvan de erbarmelijkesociaal-economische situatie waarin het Nederlandse volk zou verkeren, als straf voor zijn goddeloos leven. Deze schoolstrijders wilden daarom de mogelijkheden tot (her)kerstening optimaliseren en vroegen hun regering onder meer om “vrijheidvan onderwijs”. Zij maskeerden, om nog niet meer weerstanden op te roepen, hun werkelijke (usurpatorische) bedoelingen door zich te hullen in een liberaal gewaad en vroegen deze vrijheid daarom uitsluitend voor eigen kinderen. Overigens keerden de orthodoxen zich niet alleen tegen elkaar, maar ook tegen vrijzinnige christenen, tegen de joden en tegen degenen die een “biddeloos bestaan” zouden leiden. Zelfs de ethisch- irenische protestanten leverden hun bijdrage aan de strijd door – toen gedurende de jaren 1840 de discussies over godsdienst en onderwijs opnieuw waren opgeleefd – vanuit hun conceptie niet alleen stelling te nemen tegen de openbare volksschool maar ook tegen de orthodoxe visies op Kerk, samenleving en onderwijs.
Aan katholieke zijde was men lang niet ongelukkig met de openbare algemene gezindteschool, omdat het daarin niet toegestaan was, zoals in de 17e en 18e eeuw,katholieken te bekeren tot het gereformeerde geloof. De Onderwijswet van 1806 had ditnamelijk verboden. Sindsdien was de openbare lagere school een school voor alleezindten. Onderwijs in de leerstellige godsdienst was facultatief. Wel werd onderwijs gegegen over het christendom en de daartoe gerekende deugden. Deze afwachtende houding verdwijnt geleidelijk naarmate de rooms-katholieke kerk zich, na 1853, beter had kunnen ontplooien. In pamfletten en tijdschriften werd geprobeerdduidelijk te maken dat het rooms-katholieke geloof “voortreffelijk” was. Beter dan enig ander. Een opvatting die in een reeks van encyclieken zou worden gepreciseerd. In de eerste, uit 1832, werd overigens al duidelijk gemaakt dat de Kerk alle nieuwe ideeën, ja zelfs de gewetensvrijheid, volstrekt afwees.
De rooms-katholieke opleving werd mogelijk nadat, dankzij de liberale grondwet van 1848, de paus van het recht gebruik maakte in Nederland bisdommen in te stellen (april 1853). Een besluit dat leidde tot een nationaal protest van protestanten, de zgn. Aprilbeweging. De koning ontving een delegatie van verontrusten met alle egards en empathie, om Thorbecke te provoceren. Deze trad daarom af. De koning had gehandeld in strijd met de ministeriële verantwoordelijkheid, in 1848 inde grondwet vastgelegd. Naarmate de RK kerk beschikte had over meer geestelijken werd duidelijk gemaakt dat men ook eigen onderwijsvoorzieningen wilde (1865). Ja, in 1871 werd door rooms-katholieke notabelen in Amsterdam (de hoofdstad!) zelfs betoogd dat het kerkelijk recht van een hogere orde was dan het staatsrecht.
Stap voor stap zou aan de onderwijswensen van de protestantse en katholieke kerkelijke leiders worden tegemoetgekomen. Dankzij de volledige financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs (1917) en de pauselijke onderwijs encycliek van 1929 zou het rooms-katholiek onderwijs zich volledig kunnen ontplooien en wel volgens de ultramontaanse principes: scheiding van jongens en meisjes, rk lesmateriaal, strenge tucht, kerkelijke plichten, een streng toeziende eigen schoolinspectie. Een fase die in Limburg, waar weliswaar in de openbare scholen ook katholieke onderwijzers werkzaam waren, diep ingrijpt. Deze fase in mijn Noord-Limburg integraal bekeken 1850 – 1950 (Sittard 2010) beschreven. Dit is niet eerder zo gebeurd.
Voor zover bij de regering, ondanks alle democratisch getinte geluiden en van ultra’s uit het protestantse en rooms-katholieke kamp, nog enige twijfel mocht resteren over hun ware bedoelingen dan deden deze rechtzinnigen zelf toch wel hun uiterste best deze geheel te doen verdwijnen door elkaar te betichten van usurpatorische/theocratische intenties. De Oranjevorsten kwamen hierdoor wel tussen zeer hete vuren te staan maar probeerden desondanks verdraagzaamheid te bevorderen door waar mogelijk de gulden middenweg te bewandelen en zo verantwoord mogelijk vast te houden aan het ideaalvan de openbarevolksschool die de integratie moest bevorderen. Zij hoopten dat wanneer jongeren in een sfeer van verdraagzaamheid opgevoed zouden worden de samenleving daarbij wel zou varen. Deze onderwijsfilosofie werd uiteraard vooral door theocraten van protestantse en katholieke signatuur afgewezen. Deze orthodoxen op hun beurt propageerden een pedagogisch alternatief waarin de hoofdaccenten werden gelegd op leerstellig godsdienst onderwijs en het onderricht in de vaderlandse, dwz. vooral de eigen, geschiedenis. Verdere polarisatie was daardoor onvermijdelijk, hoewel de voorstanders van een dergelijk onderwijs beweerden dat door het stichten van afzonderlijke gezindtescholen de godsdienstige tegenstellingen in de samenleving belangrijk zouden afnemen. In werkelijkheid zou deze ontwikkeling zeer bijdragen aan de verzuiling van onze samenleving.
Tenslotte zijn in mijn proefschrift de conclusies van het gehele onderzoek vergeleken met onderscheiden vijf mythen van de schoolstrijd, afgeleid uit de confessionele historiografie: de mythe van de antithese; de mythe van het confessionele vrijheidsverlangen; de mythe van de confessionele eensgezindheid; de mythe van de vaste confessionele koers en de mythe van het confessionele pedagogische alternatief.
P.S. Het reeds lang uitverkochte proefschrift is soms antiquarisch te koop. De schrijver heeft nog enkele exemplaren, inclusief 14 stellingen, voor € 50 inclusief verzendingskosten. Het verschuldigde bedrag dient te worden overgemaakt op naamvan de auteuren gironummer 76664 t.n.v. AA de Bruin CJA de Bruin-Verheij te Sevenum.
Enkele van de 14 stellingen, die alle nog steeds actueel zijn:
4. “Het is gewenst nader medisch-geografisch te verrichten naar ‘het potentieel sterftecijfer’, waaronder verstaan wordt het aantal zieken per 1000 bewoners met een, naar het oordeel der tijdgenoten, hoog sterfterisico.”
5. “Van ‘katholieke herleving’ kan in de eerste helftvan de 19e eeuw voornamelijk gesproken worden waar het de orthodoxe katholieken betreft; verlichte katholieken werden juist door hen weggedrukt.”
6. “L.J. Rogier was ten onrechte geneigd de protestanten als de hoofdschuldigen van het antipapisme te beschouwen.”
7. “Het gebruik van het begrip trend in de geschiedschrijving kan bijdragen tot een finale kijk op de geschiedenis.”
11. “Om de democratie in Nederland niet te doen verbleken ten gevolge van politieke compromissen, dient de Hoge Raad het toetsingsrecht te krijgen.”
=====================================================
GESCHIEDENIS UIT DE EERSTE HAND
Henk van Renssen, De revolutieverzamelaar. George Nypels, reiscorrespondent tussen twee wereldoorlogen (uitg. Podium, Amsterdam z.j.): Sebastian Haffner, Geschichte eines Deutschen. Die Erinnerungen 1914-1933 (Deutscher Tasschenbuch Verlag München 2004(2)) .
Reiscorrespondenten zijn van onschatbare waarde. Voor tijdgenoten en historici. George Nypels (1885-1977) was er zo een. Hij bezocht voor het Algemeen Handelsblad de spanningshaarden die na WOI ontstonden. Zoals in Duitsland, Oostenrijk, Italië, Roemenië, Polen (waar socialisten nieuwe staten leken te kunnen gaan stichten) en Turkije van coming man Attaturk. Hij ziet daarbij niet zelden kans door te dringen tot de revolutionaire kopstukken en hun tegenstanders. Wie de afloop van deze chaotische fase in de Europese geschiedenis kent, verbaast zich enerzijds over zijn scherpzinnigheid en anderzijds over het ontbreken van samenhangende analyses (van de politieke en sociaal economische situaties) die nu van correspondenten op niveau verlangd worden. Daardoor blijft hij, anders dan Raimund Pretzel (1907-‘99) alias Stefan Haffner, toch aan de oppervlakte. Hoe boeiend ook zijn impressies nog steeds zijn. Ik beperk me tot wat hij schreef over Adolf Hitler om deze indrukken te vergelijken met die van Stefan Haffner die dagelijks met de opkomst van het nationaal socialisme te maken had en die zijn land moest ontvluchten en een pseudoniem aannam om zijn familie te beschermen.
Nypels verbaast zich over de populariteit van Hitler, “de Beierse Mussolini” die steeds in staat blijkt volle zaken te trekken; anders dan zijn opponenten. Duizenden komen op hem af, gelokt door schreeuwerige affiches. Hitler, de “woordentovenaar” boeit tot het laatste woord. Daarbij weet hij steeds de lachers op zijn hand te krijgen. Een avondje Hitler is amusant en opwindend. Het publiek bespelen kan hij als geen ander. Hitler de burgerman, olijk kijkend, zei dat hij weigerde te discussiëren met joden, imiteerde hen op komische wijze, wat velen niet weerhield te komen luisteren, integendeel. Eenzelfde uithaal maakte hij naar de vrijdenkers (die hem hadden uitgedaagd) die hij onmogelijk, naar hij zei, in een uurtje van “ordinaire haringen`in “edele forellen” kon veranderen. Nypels maakte dat glashelder in twee artikelen (d.d. 6 en 7 maart ’23), geselecteerd door Henk van Renssen die een boeiend boek over hem schreef. Tien jaar en 17 dagen voordat Hitler door de meerderheid van de Rijksdag (toen de oppositie al buiten spel was gezet) in staat werd gesteld stap voor stap de macht geheel naar zich toe te trekken.
Nypels: ”Sinds ik Hitler een van zijn grote redevoeringen heb horen houden, begrijp ik zijn enorme succes en de jaloersheid van zijn concurrenten”(-) die hij “een woordentovenaar en massapsycholoog van heel bijzondere kwaliteit” noemt die elke gebeurtenis in zijn toespraak weet te gebruiken.
Sebastian Haffner, 22 jaar jonger dan Nypels, ervaarde hetzelfde. Hij beleefde deze “Geschichte Deutschlands als teil (seiner) privaten Lebensgeschichte.” Zijn intellectuele vader, bewonderaar van Kant, was al zeer sceptisch gezind over Hitler, en zijn zoon dacht niet anders. Met het verstrijken der jaren – Haffners herinneringen omvatten de jaren 1914-1933, zien ze Hitlers populariteit onder alle lagen van de bevolking toenemen. Zelf bemerkt hij diens invloed bij zijn collega’s wanneer hij alvorens examen als referendaris af te mogen leggen verplicht is (de dictatuur is dan al een feit) – in uniform met hakenkruis – een heropvoeding te ondergaan. Hij leert dan marcheren, Sieg Heil roepen met de rechterhand omhoog, terwijl de linker duim in de riem gestoken is. Net als Hitler. Haffner wijst – als dagelijkse ´waarnemer´ – meer op de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. En hij wijst er op dat de Republiek van Weimar nooit geheel geaccepteerd is, dat Links het gevaarlijkst werd gevonden en dat menigeen sinds 1930 met Reichskanzler Brüning al gewend was aan autoritair bestuur. En dat de burgerman Hitler met een ´eenvoudig colbertje, slap boord, tenger en slank`, vergeleken met hem gemoedelijk overkwam. Daardoor noemt hij 30 januari 1933 “keine Revolution, sondern einen Regierungswechsel`. Hitler wurde Reichskanzler übrigens beileibe nicht als Führer einer Nazi-Regierung (nur zwei Nazis saszen auszer ihm im Kabinett) und schwur Treue der Weimarer Reichsverfassung. Die Sieger des Tages waren, in der algemenen Auffassung, keineswegs die Nazis, sondern die Leute der bürgerlichen Rechten, die die Nazis ‘eingefangen’ hatten und ihrerseits alle Schlüsselpositionen in der Regierung besetzten.” Het gevaar kwam van Links dacht men, dus vrijwel niemand twijfelde eraan dat de Rijksdag (27 februari) door communisten was aangestoken. Revolutie of niet, de Machtsübernahme liet niet lang op zich wachten hoewel de verkiezingen van begin maart een krappe meerderheid opleverden voor de coalitiepartijen en ondanks alle inspanningen onvoldoende voor een NSDAP meerderheid. Het wachten is dan op das Gesetz zur Behebung der Not von Volk und Staat (conform artikel 48 van de grondwet) waardoor de regering vier jaar met volmacht mocht regeren. De laatste stap naar de dictatuur!
Ervoer Nypels het geweld als passant en Haffner de repressie dagelijks en in toenemende mate, beiden waren van mening dat Hitlers spreekvaardigheid fascinerend was. Om met Nypels te spreken (maart 1923): “Hitler (is) als massaopwinder, als partijmaker iets heel buitengewoons, van wie men zeer veel verwachten … of vrezen mag.” Wie zijn redevoeringen wil lezen (voor zover geïnventariseerd) is aangewezen op Max Domarus Hitler. Reden und Proklamationen 1932-1945 (Wiesbaden 1965-2).
======================================================================
JEROEN BOSCH
Waren de middeleeuwen eigenlijk wel zo christelijk?
Jeroen Bosch geeft antwoord.
Van middeleeuwse schilderijen leert men meestal weinig of niets over het leven van gewone mensen. Daarin waren de opdrachtgevers niet geïnteresseerd. Wie middeleeuwse kerken bezoekt krijgt misschien de indruk dat de mensen toe erg godsdienstig waren. Mensen die al vroeg spontaan tot het christendom waren overgegaan. Dat is een vertekeningvan de werkelijkheid.Sommigen denken misschien ook dat de samenleving toen erg overzichtelijk gestructureerd was. Ook dat is niet juist. De margesvan de samenlevingkennen chaotische situaties. Vandaar een streng strafrecht. Wie er nu nog zo nostalgisch over denkt bevindt zich in het gezelschap van romantici uit een ver verleden. Van auteurs, architecten, theologen en politici die zich in de 19e eeuw afzetten tegen de Verlichting, en de daaropvolgende zogenaamde Atlantische revoluties, waarvan de Franse ende Amerikaanse de bekendstezijn. Kortom, tegen alles wat strijdig was met de christelijke leer. Kortom alles wat bijgedragen had aan ‘de afbraak van een ideale samenleving’. Niet toevallig is dat katholieke bouwmeesters als Viollet le Duc (1824 – 1879) en Pierre Cuypers (1827 – 1921) met kerken, profane bouwwerken en restauraties in neogotische stijl de middeleeuwen wilden doen herleven.
Jeroen corrigeert. Inmiddels is veel onderzoek gedaan naar het dagelijkse leven, naar de maatschappijkritische ideeën (opstanden van burgers en boeren). Nu is ook duidelijk dat de christelijke waarden en normen vooral gedragen werden door de elites. Dat “kerstening” iets anders was dan “bekering”. Kerstening werd bepaald door een besluit van de vorst -zoals de Frankische koning Clovis – en werd gevolgd door wetgeving om de ‘heidense’ riten te verbieden. Bekering tot het christelijk geloof, een innerlijke ‘revolutie’ (conversie) bleef lang schijn en kwam bijvoorbeeld in Nederland heel veel later op gang. Nadat Kerk en Staat de heidense gebruiken hadden geïncorporeerd (J. Schuyf Heidens Nederland). Wie nu nog van mening is dat de middeleeuwer zo vroom was, leefde volgens christelijke waarden en normen, kan in elk geval door de Jeroen Bosch uit de droom geholpen worden
De zeven hoofdzonden. Jeroen lijkt zijn tijdgenoten allereerst duidelijk hebben willen maken hoe het kwaad in de wereld is gekomen om daarna te verbeelden volgens welke waarden en normen men moest leven. Bekijk daartoe de drieluiken De hooiwagen en De tuin der lusten. Op de linker panelen verbeeldt hij het paradijs en het ontstaan van de erfzonde. De middenpanelen tonen allerlei variaties van zondigheid. De rechtse luiken tonen helse verschrikkingen. Op De zeven hoofdzonden – bedoeld als tafelblad, later in bezitvan Philips II – opgehangen in zijn slaapkamer, worden in deze zonden en de bijbehorende bestraffingen weergegeven. De hebzuchtigen zouden in een ketel gekookt worden, de toornigen konden doorboring met het zwaard verwachten. Hoovaardigen zouden een weer in de spiegelvan de duivel moeten kijken en de wellustige zouden voortdurend belaagd worden door monsters. De afgunstigen werden verscheurd door honden en de luiaards zouden steeds worden afgeranseld. De gulzige aard moest slangen en padden eten. Christenen waren overigens nietde eersten dieopriepen tot een deugdzaam leven. In de westelijke wereld waren dat Socrates, Plato (wijsheid, moed, bezonnenheid, rechtvaardigheid), de stoïcijnen (zelfbeheersing, matigheid, maatschappelijke betrokkenheid) voorgegaan. Zij dreigden niet met hel en verdoemenis!
Eva, de bron van het kwaad. Hoe idyllisch verbeeldde Jeroen het paradijselijke leven, met Adam en Eva. Adam, voor wie God een vrouw had geschapen. Beiden was verboden vruchten te eten van ‘de boom een kennisse’. Anders gezegd: zelfstandig denken en handelen was hun strikt verboden. Eva, verleid door een slang (hij beloofde het eeuwige leven gelijk God, met kennis van Goed en Kwaad), deed dat toch en haalde Adam over, waarna God beiden uit het paradijs verder joeg. Een verhaal uit Genesis, waarmee tevens vooruitgelopen wordt op de komst van Gods zoon. Gezonden om de mensen te leren hoe ze, ondanks hun aangeboren zondigheid, wél moesten leven. Om hen aan te sporen beloofde hij nog voor zijn kruisdood spoedig terug te keren om allen – de doden en levenden – aan de zijde van zijn Vader te beoordelen.
Jeroen Bosch (ca. 1453-1516). Bosch kreeg, door zijn familie en omgeving, de schilderkunst met de paplepel ingegoten. Eenmaal als kunstenaar erkend legde hij contacten in de betere kringen. In elk geval was hij lidvan de Broederschap vanOnze Lieve Vrouwe, een vereniging met missionaire bedoelingen. Minder duidelijk is of hij ook relaties heeft onderhouden met de Bossche dependance van de Broedersdes Gemeenen Levens, een devote gemeenschap die ook Erasmus beïnvloed heeft. Zeer speculatief is de bewering of hij lid is geweest van de Nederlandsetak van de Katharenof de Broeders en Zusters van de VrijeGeest, vrijdenkers die ook een ongebonden seksuele moraal voorstonden. Wel zeker is dat Jeroen Bosch leefde in een tijd dat de Rooms-Katholieke Kerk door allerlei schrijvers gekritiseerd werd. Menigeen dacht toen dat Christus elk moment op aarde kon terugkeren om, met zijn vader, over iedereen te oordelen. Niet zo’n vreemde gedachte, als men de Openbaring van Johannes leest over de rampen en tegenslagen die aan de wederkomst vooraf zouden gaan en die toetste aan de levensomstandigheden van eind 15e eeuw. Met ziekten, oorlogen en ‘zondigheden’. Overigens werden de laatste omstandigheden ook in satires en moralistische toneelspelen in naar buiten gebracht. Dat het ook op kerkelijk gebied begon te gisten blijkt er een jaar na het overlijden van Jeroen Bosch, toen Luther in Wittenberg zijn stellingen openbaar maakte (1517). Is het verbazingwekkend dat ook Jeroen zich liet horen? Vreesde hij welliucht, als welgesteld burger, dat de onrust ook naar Den Bosch zou overslaan?
De hooiwagen. De hooiwagen is niet zomaar een boerenkar. Hooi stond voor geld, hebzucht, materiële vergankelijkheid.De hooiwagen van Jeroenis wat dat betreft zeer interessant. De wagen wordt door duivelse gedrochten richting hel getrokken. Rondom wordt gevochten, gemoord, verkracht en bedrogen. Men vertrapte elkaar. Sommigen proberen alsnog wat ‘hooi’ te bemachtigen. Onderaan een vette monnik die zuipt en ook nog wat ‘rijkdom’ vergaart. Een keisnijder die een zieke vrouw bedriegt. Links een ‘blinde’ bedelaar met zijn hulpje. Op de hooiwagen een luitspeler die een vrouw probeert te verleiden en daar achter een stel dat elkaar kust, een aanwijzing dat de copulatie aanstaande is, terwijl een duivel daartoe muzikaal inspireert. Achter de hooiwagen een stoet van hoogwaardigheidsbekleders. De paus, de keizer, de Franse koning, de hertog van Bourgondië. Het linker paneel geeft ook hier een impressie van het paradijs, Adam en Eva, maar ook de strijdvan de engelentegen de opstandige Lucifer en haar helpster’s die zich niet willen neerleggen bij het besluit Gods datengelen de minderewarenvan de mens.Uiteraard zullen ook zij hellewaarts gaan. En het rechterpaneel? Met welk een satanische lust blijkt Bosch hier de verdoemden te hebben afgebeeld.
De tuin der lusten. Seksuele uitspattingen in optima forma in De tuin der lusten – op het midden van -ingeleid op het linker door een paradijselijke impressie met lieflijke taferelen van dieren, zelfs een eenhoorn en Adam en Eva, net nadat Eva geschapen was nog niet verstoten. Met konijntjes, vruchtbaarheidssymbolen, achter haar rug. Een olifant, met een aap op zijn rug en de eenhoorn, symbolen van Adams en Eva’s zonde. De driekoppige vogel, een ibis, als tekenvan de drie-eenheid? Bosch gebruikt zóveel symbolen dat de duiding daarvan heeft geleid tot een eindeloze discussie. Zet centrale paneel is overduidelijk een verbeeldingvan de verdorven seksualiteit. Het rechtse geeft de hel weer. Met de duivel op de kakstoel. Een monsterlijk wezen dat veroordeelden opvreet en uitpakt. Wie nu door den Bosch een boottocht gemaakt komt zo een afbeelding tegen. Mensen worden er gespietst, alsof ze bereid werden voor een barbecue.
Het schip der Kerk/het narrenschip. Niemand ontkomt aande kritiek van JeroenBosch. Hoog en laag, wereldlijke en kerkelijke gezagsdragers moeten eraan geloven. De dragersvan de roomsekerk kregen nog een extra buurt met het naar een schip, ook bekend als Het schip der Kerk. We zien een liederlijk gedrag van geestelijken, monniken en nonnen. Een lier spelende non maakt een monnik het hof. Een andere lijkt een man te willen verkrachten. Kruiken zijn leeg en worden gevuld, alsof de rivier gevuld is met drank. Men drinkt, vreet en kotst.
Heiligen. Heiligen hebben voor Jeroen een bijzondere betekenis, speciaal de bekendste. Onder hen Hiëronymus, naar wie hij vernoemd in is, Johannes de Doper,die de komst vanChristus voorspelde, mensen doopten in de Jordaan en tenslotte ook Christus. De legendarische Christophoor (8 mlang)die, tot inkeer gekomen, deemoedig mensen over de Jordaan zette en zichtbaar gebukt ging onder delast van Christus toen deze aan de beurt was om overgezet te worden. Antonius moest wel erg veel verzoekingen doorstaan om zijn geloof te testen. Wat moeten zij geleden hebben om de heilige status te kunnen bereiken. Levend in woestijnen, in afzondering, vast. Sprinkhanen etende. Hallucinerend, gebeden prevelend. Als Antonius steeds opnieuw beproefd. Of, zoals Johannes de Doper die, tenslotte, op wens van Herodus’ dochter Salomé – als beloning voor haar dansen – onthoofd zou worden. Jeroen kende deze heiligenlevens uit bloemlezingen, ontleend aan de Gouden legenden (nu herdrukt).
Jodenhaat. Ketters, leprozen, heksen, sodemieten, invaliden, vreemdelingen, buitenstaanders en … Joden. Allenwerden in de middeleeuwen veracht, zo leert Jacques Le Goff. Joden, eeuwen lang werden ze als potentiële criminelen beschouwd. Jeroens Kruisiging laat aan duidelijkheid niets te wensen. Joden met ongure koppen, kromme neuzen.
Bosch en Erasmus. Hoewel tijdgenoten, hebben ze elkaar nooit ontmoet. Bosch was een 30 jaar ouder. Overleed 20 jaar voor Erasmus. Beiden hebben een plek in de narrenliteratuur verworven. Metschrijvers dieautoriteiten als narren kenschetsten. Wijsheid een deugd noemden. Zo ontstond “een vloedgolf” (Vandenbroek) aan publicaties, groot en klein (toneelspelen, pamfletten, houtsneden). Het volksgeloof in keisnijders gold daarbij wel als het summum van dwaasheid. Burgers oordeelden vanuit hun ivoren toren, zoals Jeroen Bosch. Welgesteld, materiële onafhankelijk. Niemand in Den Bosch kon hem een strobreed in de weg leggen. Bewonderd als hij werd door zijn opdrachtgevers: De Onze Lieve Vrouwe Broederschap, welgestelde burgers, hoge adel geestelijken orden.
| De werken van Jeroen Bosch |
Het meestal niet gesigneerde en ongedateerde werk van Jeroen Bosch omvat:
Drieluiken: 7 (alle in het buitenland)
Zelfstandiger werken: 10 waarvan in Nederland 2, België 3, Spanje 3, Engeland 1, Duitsland 1.
Betwiste werken:6 (waarvan een in Nederland)
Tekeningen: 33 waarvan4 in Nederland
De werken in Nederland bevinden zich alle in museum Boymans van Beuningen.
Over de betekenis van de door Jeroen Bosch gebruikte symbolen is vanaf de 16e eeuw gebrainstormd. Marijnissen telde wel 260 verschillende interpretaties ( Rogier H.Marijnissen mmv Peter Ruyffelaere Hieronymus Bosch Het volledige oeuvre)
Literatuur
Wie meer wil weten over Jeroen Bosch adviseerde ik allereerst Eric de BruynDe vergeten beeldentaal van Jheronimus Bosch, verschenen bij Adr. Heinen (Den Bosch). De Bruyn bespreekt vooral de Hooiwagen en de Marskramer. Bij uitgeverij Ludion verscheen de fraaie catalogus Jheronymus Bosch; alle schilderijen en tekeningen. Adriaan H. Bredero geeft in zijn De ontkerstening der middeleeuwen een helder overzicht van de moderne historische literatuur, waaronder het standaardwerk van Richard Fletcher, The conversion of Europe, from paganism to christianity. Ook verwijst hij naar het hardnekkige Germaanse (bij)geloof in Nederland dat tenslotte door overheden ingelijfd zou worden. Voorts adviseer ik Jacques Le Goff De cultuur van middeleeuwse Europa. Recent verscheen van Peter Raedts De ontkenning vn de Middeleeuwen. Geschiedenis van een illusie (Amsterdam 2011). Zie ook hoofdstuk 8 van mijn Noord limburg integraal bekeken (Sottard 2010).
===================================================================
DESIDERIUS ERASMUS
De eerste druk van Huizinga’s boek dateert van 1924, kort
nadat Oswald Spengler zijn Untergang des Abendlandes (-) had gepubliceerd en zeer velen nog steeds kapot waren van de Eerste Wereldoorlog en alle naoorlogse problemen in geheel Europa het ergste moesten doen vrezen. Huizinga, ook geen optimist, schreef over Erasmus ter inspiratie. Ook Erasmus (1469-1536) was op zoek naar een humanere samenleving waarbij hij geïnspireerd werd door klassieke ideologieën die hij minstens zo belangrijk achtte als de zuiver christelijke. Hij durfde daarbij wereldlijke en zelfs Kerkelijke gezagsdragers op de hak te nemen. En dat alles in een hogelijk gewaardeerd Latijn en soms een ironische stijl. Zijn Lof der Zotheid kwam op de RK Index van verboden boeken . Huizinga droeg het boek op aan zijn kinderen.
Geert Geertsen (later als geleerde Desiderius Erasmus) was een kind van een priester en een niet-intellectuele moeder. Al vroeg wees, opgescheept met drie strenge voogden. Door hen, net als zijn broer Pieter, bewogen tot de Augustijner orde toe te treden. Hij in Steyn, nabij Gouda, waar hij als tiener de gelofte aflegt. Zijn oudere broer Pieter in Delft. Dan hebben zij de strenge scholen van de Broeders des Gemenen Levens in Deventer en ‘s-Hertogenbosch al doorstaan. In Steyn verbaast hij iedereen om zijn kennis van het Latijn; van klassieke en vroeg- christelijke schrijvers. Door correspondentie naam makend, wordt hij door de bisschop van Kamerijk uitgenodigd secretaris te worden (1493). Een buitenkansje om het kloosterleven te ontvluchten.
Naarmate hij bekender wordt volgen nieuwe uitnodigingen en zal hij – door zijn
publicaties – steeds beter in zijn levensonderhoud kunnen voorzien. Als Erasmus
op zijn nadrukkelijk verzoek uit zijn orde wordt ontheven (april 1517), is hij
geheel vrij om te gaan. Rusteloos, verhuizend van hot naar her, studerend,
schrijvend, discussierend. In de Zuidelijke Nederlanden, Frankrijk, Spanje,
Engeland, Italië, Zwitserland. En dat alles ondanks een slechte gezondheid.
Huizinga volgt het leven van Erasmus, schetst zijn levensomstandigheden, karakteriseert intellectuelen en weldoeners. Zo krijgen veel publicaties een speciale context. Wat heeft Erasmus zo beroemd gemaakt? Waarom wordt hij nog steeds geëerd? Het antwoord lijkt simpel. Hij heeft een tijdloze boodschap voor de mensheid en hij wist zijn de lezers te boeien. Al vroeg publiceert Erasmus een verzameling van honderden spreekwijzen, levenslessen van klassieke schrijvers (waarvan tal aangevulde herdrukken zouden verschijnen) – de Adagia, onlangs in een hertaling herdrukt. Hij pleit daarin uitgaande van klassieke, voor-christelijke auteurs, voor harmonie uitgaand van allerlei levenswijsheden. Daarin pleit hij ook voor een kindvriendelijke opvoedkunde (die hij zo ontbeerd had) en een ‘emancipatie’ van de vrouw, waarbij hij waarschijnlijk aan zijn (jong ontvallen) moeder heeft gedacht. Als pacifist schrijft hij over oorlog en vrede en is daarmee één van de allereerste ‘polemologen’, hoewel hij in 1530 (de Turkenkrijg) een geheel ander (hem ontsierend) geluid laten horen (zie essay hierna).
Al vroeg heeft hij een weerzin tegen de scholastiek (het streven om geloof en wetenschap op elkaar af te stemmen) en vooral de in die kringen voortwoekerende ruzies. Losser, komisch en ironisch schrijft hij de Lof der Zotheid, een nieuwe bestseller.
Erasmus is een gevoelsmens. Hoewel hij het in vele opzichten met Luther eens is (over de roomse visie op aflaat, sacramenten en de erfzonde – die hij afwijst en deze hem met veel egards bejegent, geven diens mentaliteit en intenties de doorslag om toch te opponeren. Erasmus wil namelijk geem breuk met de RK kerk, maar een katholieke reformatie door zuivering van leer en
praktijk. Luther kiest voor de frontale aanval. Erasmus selecteert, om
een breuk met Luther te bewerkstellingen, voor een kwestie waarover ze het volledig oneens waren. Het gaat over de vraag of de mens een onvrije wil heeft (zoals Luther en wat later Calvijn beweert) of niet, zoals Erasmus meent. Opmerkelijk is dat hij hier nog zwijgt over het celibaat (vijf jaar later schrijft hij wel dat dit niet door Christus is opgelegd). Luther verwerpt het celibaat zonder meer als een bedenksel. Mogelijk worstelt Erasmus met zijn homo-erotische gevoelens, zoals blijkt uit een correspondentie.
Terwijl Erasmus zich positioneert als idealist, is Luther bovenal een pragmaticus die steun zoekt van protestantse vorsten in het Duitse rijk - wat tenslotte zou leiden tot een dertigjarige oorlog. De protestanten Zwingli, Melanchton, Calvijn en Luther, zullen ook onderling de messen gaan slijpen. Dat is niets voor Erasmus die nu ook zelf tegen zijn zin verzeilt in allerlei theologische disputen met vroegere ‘vrienden’ en zij die de waarde van Griekse en Romeinse geschriften (de bonae literae) ontkennen of relativeren.
Erasmus is een gevoelsmens, hij lijdt onder de verwijdering van zijn vrienden, de onthoofding van Thomas More (1535) en neigt tot neerslachtigheid omdat de onverdraagzaamheid – vooral in de jaren 30 – toeneemt en toont dan weer meer empathie voor de Rooms-katholieke Kerk. Vlak voor zijn dood (1536) noemt hij zijn eeuw zelfs de “allermisdadigste”; vanwege de godsdienstige conflicten en oorlogen. Toch blijft hij vasthouden aan zijn streven om de oorspronkelijke, volgens hem humane, christelijke ethiek te propageren. Zo zal hij overlijden zonder om het laatste sacrament te vragen.
Huizinga’s biografie boeit nog steeds door zijn proza, het vermogen de essentie te verwoorden: “Erasmus schijnt bij wijlen de man die niet sterk genoeg was voor zijn tijd. In die forse 16e eeuw is de eiken kracht van Luther nodig, de stalen scherpte van Calvijn, de gloed van Loyola, niet de fluwelen zachtheid van
Erasmus.”
*Johan Huizinga Erasmus bewerkt door J. J. M. Van de Roer-Meijers met
een inleiding van J. Sperma Weiland; uitgever Ad. Donker,
gebonden, rijk geïllustreerd, notenapparaat, bibliografie, index (Rotterdam
2007)
============================================================
WIE WAS COORNHERT?
“Rechtvaardigcheyd totten menschen is nodigh ende nut”,
citaat uit D.V Coornhert Zedekunst dat is Wellevenskunste (1585).
Dirck Volckertszoon Coornhert (1522-1590) is evenals Desiderius Erasmus en diens ‘vriend’ Willem van Oranje, te beschouwen als een idealist die bleef geloven in een verdraagzame samenleving. Levend in een tijd waarin, ook in de Nederlanden, de verdraagzaamheid door weinigen werd nagestreefd, moest hij enkele keren van woonplaats veranderen om, tenslotte, in het vreedzame Gouda zijn laatste levensjaar door te brengen. Daar herinneren aan hem nu een gevelsteen aan de Oosthaven, een grafsteen en een raam in de St.Janskerk, alsmede het Coornhertmonument van Eric Claus aan het stadhuis. Gouda
heeft ook een naar vernoemd boekenantiquariaat.
Coornhert was veelzijdig
Behalve een ‘modern’ ethicus, filosoof en theoloog, was hij dichter,
toneelschrijver, kunstenaar, musicoloog en ‘criminoloog’. Opmerkelijk is ook
dat hij bekend stond als een geestig tafelredenaar en een vaardig schermer.
Redenen te over om hem, 400 jaar na zijn sterfdag, in 1990, op nationaal niveau, ja zelfs buiten ons land (in Nederlandse instituten) te herdenken.[1] De herdenking was ook aanleiding om tal van publicaties uit te geven, waaronder een bundel artikelen.[2]
Ook aan zijn betekenis voor de criminologie werd aandacht besteed.[3]
Zelfs werd een toneelstuk van hem opgevoerd en verscheen er een omvangrijke studie over zijn toneelwerk[4]. In de Sint Janskerk werd een Coornhertcantate ten gehore gebracht .[5]
In de gevangenpoort (den Haag) – Coornhert heeft daar een tijd gevangen gezeten
- werd een tentoonstelling aan hem gewijd. Verschillende universiteiten
besteedden symposia aan zijn geestelijk nalatenschap.
Gefinancierd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en het VSB-cultuurfonds werd de tweejaarlijks toe te kennen Coornhertprijs voor Sociale vernieuwing ingesteld die in 1990 de eerste keer werd toegekend, aan dr. A.M. Versloot. Hij werd daarmee in staat gesteld een boek te schrijven over de bevordering van de verdraagzaamheid in het onderwijs.[6] In samenwerking met de Vereniging voor Geschiedenisleraren werd zelfs een onderwijsproject samengesteldAan de uitreiking van elke prijs ging de Coornhertrede vooraf.[7]
Coornhert was een velerlei opzichten een origineel denker. Iemand die stelling durfde te nemen. Tegen een onderdrukkende overheid, tegen intolerante vormen van rooms-katholicisme en protestantisme. Voor vrijheid van geweten van iedereen, wat herinnert aan het eerste artikel van onze huidige grondwet. Zijn invloed op andere ‘libertijnen’ en daarmee op de inrichting van de Nederlandse samenleving mag niet onderschat worden.
De essentie van zijn visie op mens en samenleving ligt in wat genoemd werd ‘de wet der nature’. Dit is de opvatting, door klassieke auteurs en door een tekstschrijver van het Nieuwe Testament (Mattheüs) verwoord, die – samengevat – luidt: Behandel de mensen in alles net zo als je zelf behandeld wil worden. Daarbij moet bedacht worden dat Coornhert meende dat de mens in staat was een toestand van volmaaktheid te bereiken, een opvatting bekend als het perfectionisme. Hij wordt nog steeds gewaardeerd omdat hij op gezag van eigen denken een levensbeschouwing theoretisch en praktisch consequent inhoud gaf. Daarom moest hij enkele keren uitwijken. Twee keer naar Duitsland en één keer naar Gouda. Bijzonder interessant en leerzaam is dat hij, net als Erasmus, van mening was dat
vele klassieke denkers hoogwaardige, humane ideeën, hadden verwoord die ook
terug te vinden zijn in sommige bijbelteksten. Daarvan heeft hij het bewijs
geleverd in zijn belangrijkste werk Zedekunst dat is Wellevenskunste (1585). Typerend voor hem is dat Cicero’s (de Officiis, over de plichten) vertaalde.
In Gouda zou hij nog zijn afwijzende mening verwoorden over de predestinatie en stelling nemen tegen het doden van ketters. Over de erfzonde had hij zich al eerder afwijzend geuit. Dit tot grote irritatie van de rechtzinnige protestanten. In 1990 bleek de gereformeerde boekhandel in Gouda niet bereid het jubileumboek Coornhert, Dwars maar recht, te verkopen. De Coonhertstchting is nu in Amsterdam gevestigd zie www. coornhertstichting.nl Deze stichting heeft inmiddels enkele hertalingen uitgegeven, waaronder de Synode over gewetensvrijheid. Een nauwgezet onderzoek in de vergadering gehouden in het jaar 1582 te Vrijburgh. De hertalingen verschijnen bij de Amsterdam University Press.
[1] Zijn geboortedag is nog steeds onbekend.
[2] H. Bonger (e.a.) Dirck Volckertszoon Coornhert. Dwars maar recht (Zutphen 1989). Voorts: Henk Bonger en Arie-Jan Gelderblom Weet of rust. Proza van Coornhert (Amsterdam 1985); H.Bonger D.V. Coornhert Opzoek naar het hoogste goed (Baarn 1987). Eerder schreef H. Bonger een biografie.
[3] Cyrille Fijnaut en Pieter Sperenburg Scherp Toezicht. Van Boeventucht tot
Samenleving en Criminaliteit (Arnhem 1990)
[4] Anneke C.G. Fleurkens Stichtelijke Lust. De toneelspelen van D.V. Coornhert (1522-1590) als middelen tot het geven van morele instructie (Hilversum 1994).
[5] Componist Jan van Dijk. Op het Coornhertconcert werden werken uitgevoerd van Monteverdi, Sweelinck, Palestrina, Jan van Dijk, door het Gouds Mannenkoor (olv Ralph van Vliet), Capella Antiqua Goudensis (olv André Bunnik), Gouda’s Liedertafel (olv André Bunnikl) en Gouda’s Harmonie De Pionier (olv Ties Wagensveld). Jaap van der Ende stadsbeiaardier verzorgde een introductie voor de Goudse bevolking. Solist was de bariton Ruud van der Meer. de organist Gert Boersma speelde een compositie van Heinrich Scheidemann en Tijn Van Eijk begeleidde op orgel.
[6] Dit als erkenning van zijn proefschrift over Ouders en Vrijheid van onderwijs
(Utrecht1990).
[7] Deze werd gehouden door prof. dr. E.H. Kossmann, Prof dr. A.C.
Zijderveld, prof. mr. H. van Maarseveen, Henk Hofland, prof. dr. C. Fijnaut en
prof. dr. Jan Terlouw. In 1990 hield ook mr. E.M.J. Hirsch Ballin,
minister van justitie een toespraak.
===============================================================
Hugo de Groot, idealist en pragmaticus
De juridische, maatschappelijke en theologische ideeën van Hugo de Groot
(1583-1645) vormden één geheel en zijn nog steeds actueel. Hij beoogde de
harmonisering van de intermenselijke en interstatelijke betrekkingen. Gingen
idealisme en pragmatisme bij hem hand in hand? In dit essay wordt de
bijdrage van De Groot aan de ontwikkeling van zijn visie op de samenleving,
het internationale recht en zijn theologische opvattingen, alsmede het
verband tussen zijn idealisme en pragmatisme belicht.
Hugo de Groot werd door een ‘volksreferendum’ 31e op de lijst van “de
grootste Nederlander aller tijden”. Het werd Pim Fortuyn… Ook aan Willem van
Oranje, de vader des vaderlands, werd voorbijgegaan. Wel werd De Groot
opgenomen in de Canon van de Nederlandse geschiedenis. Vanwege zijn bijdrage
aan het volkenrecht pleitte de VVD enige tijd geleden voor een naar hem te
vernoemen leerstoel.
Jan en Annie Romein rekenden hem tot de erflaters van onze beschaving,
evenals Spinoza. Curieus is dat de Groot wel een plaats in de Canon voor
het confessioneel onderwijs heeft gekregen en Spinoza nadrukkelijk niet.
Hebben de confessionele censors De Groots bijbelkritische en oecumenische
opvattingen over het hoofd gezien? Hadden ze daar wel rekening mee gehouden
dan hadden ze ook De Groot moeten schrappen, net als Spinoza.
Invloeden
Hugo’s ideeën sloten aan bij de Nederlandse en Italiaanse humanisten en de
juristen uit de school van Salamanca (waar toen een beroemde Spaanse
universiteit was gevestigd), die hij verder heeft uitgewerkt. Bij de
Nederlanders moet gedacht worden aan Erasmus en Coornhert. Erasmus’
pacifisme was onder intellectuelen bekend omdat hij in het Latijn schreef.
Coornhert schreef in het Nederlands en was althans in de Nederlanden
waarschijnlijk onder ontwikkelden bekender. Vooral door zijn Synode over
gewetensvrijheid (1582) en de Zedekunst dat is Wellevenskunste (1585). Hugo
de Groot kende hun opvattingen. Deze maakten deel uit van een stroming
waartoe ook belangrijke Italiaanse humanisten behoorden. Zoals Ficino
(1433-‘99) en Mirandola (1463-‘94) die hun ideeën baseerden op een synthese
van christelijke en klassieke opvattingen (Aristoteles, Plato). Zij
ontdekten daarin universele waarden en normen en beschouwden de mens als een volwaardig wezen. In Leiden, centrum voor intellectuelen uit heel Europa,
stond de studie van de klassieke bronnen voor elke wetenschapper ook daarom
in hoog aanzien, of men nu geneeskunde, rechten of theologie studeerde.
Een revolutionaire tijd
Grotius leefde in een tijd vol heftige godsdienstige en politieke
conflicten. Zo probeerden Duitse lutheranen een onafhankelijke positie te
verwerven. En Frankrijk deden calvinisten (hugenoten) hetzelfde. Katholieke
vorsten probeerden dat te verhinderen. Ook in de Nederlanden ontstond
verzet. De Heer der Nederlanden, Filips II, wilde namelijk een modern
bestuur invoeren en het calvinisme, een minderheid overigens, bestrijden.
Modern bestuur betekende toen: opheffing van de middeleeuwse standenstaat
met zijn privileges voor ‘provincies’, steden en adel. Omstreeks 1650 was
die ‘dreiging’ afgewend omdat Spanje te zeer verzwakt was. Eoen werd een
eigen bestuursvorm ontwikkeld. Dat was de Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden, een statenbond waarin Holland dominant was en bleef. Weliswaar
een minderheid, zouden ze – door een machtsstrijd tussen stadhouder Maurits
(opperbevelhebber in Holland en Zeeland) en landsadvocaat Van Oldenbarnevelt
(feitelijk minister van binnen- en buitenlandse zaken) – korte tijd een
cruciale rol spelen. Een wespennest waarin ook Hugo de Groot (behorend tot
het kamp van Van Oldenbarnevelt) verzeild raakte.
Hugo’s betrokkenheid
Hugo’s leven speelde zich geheel af tijdens de Nederlandse opstand
(1568-1648). Een jaar na zijn geboorte werd Willem van Oranje geliquideerd
en toen de elfjarige Hugo in 1594 als student in Leiden werd ingeschreven
was de Nederlandse opstand al goed op gang gekomen. Na vier jaar Leiden -
acht jaar nadat Maurits Breda innam – vond zijn vader dat hij genoeg kennis
had verworven. Op voorspraak van Johan van Oldenbarnevelt werd hij, 16 jaar
oud, opgenomen in een diplomatieke delegatie naar Frankrijk. Het gezantschap
had tot taak te voorkomen dat de koning vrede met Spanje sloot. Dat was niet
in het Nederlandse belang. De besprekingen gingen uiteraard buiten Hugo om.
Hij benutte de gelegenheid om in Orléans de doctorstitel te verwerven in het
Romeins en Kerkelijk recht. Goed voor zijn carrière.
Teruggekeerd in Leiden bleken de protestanten het met elkaar aan de stok te
hebben gekregen over hun belijdenisgeschriften. Het ging vooral over de leer
van de uitverkiezing. Heeft God voor de geboorte van de mens al bepaald of
hij in de hemel wordt opgenomen? Zoals de orthodoxen geloofden. Tijdens het
Twaalfjarig Bestand met Spanje (1609-1621) culmineerde de discussie in een
confrontatie tussen de ‘vrijzinnige’ Johan Van Oldenbarnevelt en Maurits,
die de kant van de orthodoxen had gekozen. De vrijzinnigen delfden tenslotte
het onderspit. Johan Van Oldenbarnevelt werd onthoofd en Hugo de Groot kreeg
levenslang in het slot Loevestein waar hij (tot zijn vlucht, na 2 jaar, in
een boekenkist) belangrijke theologische publicaties kon voorbereiden.
Het natuurrecht geseculariseerd
Begrijpelijk is dat in de 16e eeuw ook nagedacht werd over de vraag of
binnen- en buitenlandse politieke conflicten alleen door geweld of misschien
ook door middel van overleg/rechtspraak konden worden beslecht. En, of
onderdanen wel of niet het recht hadden in verzet te komen. Opmerkelijk is
dat alle theorieën uitgingen van het natuurrecht.
Het natuurrecht, beschouwd als een geheel van waarden en normen, rechten en
plichten was – zo werd aan de Universiteit van Salamanca gedoceerd – door
God aan de mensheid geopenbaard. Men meende daar dat de mens als sociaal
wezen in principe bereid was een deel van zijn natuurlijke vrijheid op te
geven ten gunste van de vorst. Deze verwierf daarmee het mandaat om te
besturen. Omdat macht kon corrumperen moest ieder volk zijn vorst wel zoveel
mogelijk aan wetten binden. Als deze zich niet daaraan hield zou het volk
het recht hebben om in opstand te komen ten einde een betere monarch te
kiezen. Hugo de Groot zou dit uitgangspunt seculariseren en daarbij
aansluiting vinden bij voorchristelijke denkers als Aristoteles, de
stoïcijnen en Cicero.
In Nederland was deze contracttheorie – twee jaar voor Hugo’s geboorte -
door de Staten Generaal vastgelegd in de Acte van Verlatinghe (1581).
Daarmee waren de Nederlanders niet meer gebonden aan hun (wettige) vorst,
Filips II. Nu kon men op zoek gaan naar een nieuwe monarch; de monarchale
staatsvorm gold toen nog steeds als de enige juiste. Willem van Oranje was
voor Holland (Van Oldenbarnevelt!) nog niet acceptabel. In 1578 werd op
advies van Willem van Oranje een overeenkomst gesloten met de, aarzelende,
zoon van de Franse koning (Anjou) die Engeland niet voor het hoofd wilde
stoten en met Elisabeth wilde trouwen. Daarna kwam Leicester, gunsteling van
de Engelse koningin Elisabeth, in beeld (1585). In hetzelfde jaar zou de
Spaanse landvoogd Parma Antwerpen veroveren. Tegen hem was Leicester niet
opgewassen.
Spoedig verloor Leicester de steun van Johan van Oldenbarnevelt omdat hij de
handel met Spanje verbood en niet kon voorkomen dat Parma Venlo en Grave in
bezit nam. Bovendien leverden katholieke Engelse legeraanvoerders Deventer
en de schans voor Zutphen uit aan de Spanjaarden. Toen Leicester
Oldenbarnevelt en prins Maurits, de zoon van Willem van Oranje, in Delft
wilde arresteren (wat mislukte) en er evenmin in slaagde Amsterdam, Leiden
en West Friesland in bezit te nemen, was hij uitgespeeld (december 1587).
Teruggekeerd naar Engeland, waar hij in 1588 overleed, zouden achtergebleven
Engelsen een jaar later Geertruidenberg aan Parma overleveren. Toen kende de
Staten Generaal zichzelf de soevereiniteit toe. Die kwam te berusten bij de
Staten Generaal een statenbond van in principe soevereine staten met gelijke
rechten. Bekend is dat deze door Holland gedomineerd zou worden. In Den Haag
werd vergaderd en daar vielen de besluiten onder voorzitterschap van de
landsadvocaat. De Groot zou later in een vergelijkende studie concluderen
dat het Nederlandse stelsel toch het beste was.
Dat in de 16e eeuw, die zo beladen met internationale conflicten was , ook
nagedacht werd over de verhouding tussen de rivaliserende mogendheden, is
begrijpelijk. Het ging daarbij om de ontwikkeling van een interstatelijke
recht. Hugo de Groot verrichtte op dat terrein baan belangrijk onderzoek,
zoals uit de hierna volgende publicatie blijkt.
De iure belli ac pacis (1625)
In Over het recht van oorlog en vrede onderzocht Hugo de Groot de vraag of
en zo ja onder welke condities, een oorlog gerechtvaardigd was. De Groot
ging daarbij uit van het natuurrecht. Dat was niet afhankelijk van
politieke, economische of godsdienstige toevalligheden. Zonder respect voor
juridische beginselen zou een samenleving altijd gevaar lopen. Respect voor
de ander, het individu dan wel de staat, was voor hem een absolute
voorwaarde. Het staatsbelang mocht echter pas in het uiterste geval beslecht
worden door oorlog. En ook dan moest geweld proportioneel zijn.
De Groot pretendeerde uit te gaan van een neutrale visie op de politiek dan
wel de godsdienst en benoemde de rechtsregels die bij conflicten gehanteerd
moesten worden: “zelfverdediging, herstel van eigendomsrechten, voldoening
van vorderingen en bestraffing van ernstige overtredingen van het
natuurrecht.” Al met al leverde Hugo de Groot aldus, volgens zijn biograaf
Snellen, een bijdrage aan “de secularisatie van het recht en de humanisering
van de politiek” .
Hoe belangrijk zijn bijdrage aan de verbreiding van het volkerenrecht ook is
geweest, hij vergat daarmee allerminst het Hollandse belang, met name dat
van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). De Republiek was immers als
handelsmogendheid gebaat bij een vrij handelsverkeer, een “vrije zee”. Als
diplomaat – in Engeland, Frankrijk en Zweden – zou hij eveneens allereerst
de belangen van zijn opdrachtgevers dienen. Als Nederlands gezant naar
Engeland gezonden behartigde hij consequent eveneens de VOC belangen.
De Groot als oecumenisch en tolerant christen
Als christen baseerde hij zich op het Nieuwe Testament (althans zoals hij
dat interpreteerde). Omdat hij van mening was dat de waarheid van de
christelijke leer niet met behulp van het natuurrecht te bewijzen was,
volstond hij met een pleidooi voor tolerantie jegens andersdenkenden. Alleen
wanneer christenen vanwege hun geloof door anderen onderdrukt werden mochten
zij zich verzetten. Daarmee verschilt hij van Erasmus die in De Turkenkrijg
poneerde dat wanneer de Turken van de Balkan verdreven zouden zijn en de
meeste moslims na een periode van tolerant beleid bekeerd waren, de
resterende moskeeën moesten worden afgebroken en de islam verboden.
De Groot zocht naar de oorsprong van het christendom. Daarin is hij een
leerling van de Leidse school waar de filologie het uitgangspunt was voor
alle wetenschappen. Resultaat van zijn onderzoek is de Annotationes in Novum
Testamentum (Aantekeningen bij het nieuwe testament) waarvan in 1679 een
heruitgave zou verschijnen in drie delen. Die hadden een duidelijke
oecumenische tendens. De Groot hoopte op herstel van de eenheid der Kerken,
wat gezien de felle disputen over de leer van de uitverkiezing en de
gevolgen daarvan zeer begrijpelijk is. Sommigen vreesden dat hij terug wilde
naar de rooms-katholieke Kerk, waartoe ook zijn moeder lange tijd behoorde.
De Groot was zijn tijd ook in dit opzicht ver vooruit. In het Koninkrijk der
Nederlanden (1815 – ) zou in de 19e eeuw een felle discussie ontstaan over
protestantse belijdenisgeschriften en kerkelijke praktijken die zouden
leiden tot een scheuring in de Nederlandse Hervormde Kerk toen rechtzinnigen
uittraden.
Het rente vraagstuk
In de middeleeuwen worstelden christenen met de vraag of er voor een lening
rente gevraagd mocht worden. Tenslotte werd een oplossing gevonden. Wie
zijn lening niet op tijd terugbetaalde deed boete voor zijn zonde: betaalde
rente. Moslims blijken eenzelfde probleem te hebben. Banken hebben daartoe
de “halalhypotheek” ontwikkeld.
Omdat een vriend van Hugo de Groot rente verdedigde om daarmee het bestaan
van de banken van lening te rechtvaardigen, gaf ook hij, als pragmaticus,
zijn visie. Hij verwierp woekerrente als uitbuiting maar accepteerde rente
als “vergoeding voor de derving van de winst die geld bij investering in
huis, land of koopmanschap kon opleveren.” (Nellen) Hij achtte daarbij
percentages van 8 tot 12% op jaarbasis in het economisch verkeer als
vergoeding niet in strijd met de ethiek. Anders lag dat voor de zwakkeren in
de samenleving. Die moest men geld geven.
Idealist en pragmaticus!
De vraag is of het leven van Hugo de Groot geheel in dienst heeft gestaan
van “een strijd om de vrede”, zoals zijn biograaf Henk Nellen meent. Ik ben
geneigd dat toch als een overwaardering te beschouwen; hoe belangrijk
Grotius ook geweest is voor het volkenrecht. Immers, alles wat hij daarvoor
deed diende vooral het Nederlandse belang. Dat was gebaat, als zich
ontwikkelende handelsstaat, bij een vrij gebruik van de zee. Ofschoon De
Groot wel een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van de
internationale rechtspraak – denk daarbij aan de waardering die hij heeft
gekregen van prominente rechtsgeleerden, zoals Cornelis van Vollenhoven
(1874-1933) – kan men deze bijdrage achteraf gezien ook beschouwen als
belangenbehartiging van Holland. Ik ben geneigd hem zowel als een idealist
als een pragmaticus te beschouwen. Ter vergelijking zou men kunnen denken
aan de ontwikkeling van de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten van
Amerika, zoals de Amerikaanse historicus Williams betoogd heeft.
Aanvankelijk was deze gericht op het isolationisme. Maar, met de
revolutionaire ontwikkeling van het economisch leven werd internationalisme,
opendoor policy, absoluut noodzakelijk. Dit leidde tot een mondiale
betrokkenheid. Tot deelname aan zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog.
De Groot tolerant. Zowel in Nederland, als later in Frankrijk, steunde
hij vrijzinnigen en probeerde hij een vorm van oecumene te bevorderen.
Carrière
Geboren als wonderkind van zijn geleerde protestantse vader en katholieke
moeder die al op zijn achtste jaar Latijnse gedichtjes schreef.
1594-1598: Student te Leiden
1598: Deelnemer aan delegatie naar Frankrijk en promotie
1599: Advocaat (Den Haag)
1607-1613: Advocaat-fiscaal
1613: Gezant in Nederlandse dienst naar Engeland
1613-1616: Pensionaris van Rotterdam (vertegenwoordiger in de Staten van
Holland en, namens Holland in de Staten Generaal)
1619-1621: Gevangenschap in slot Loevestein. Ontsnapping in een boekenkist.
Het slot Loevestein is er ‘beroemd’ door geworden: “Hier zat Hugo de Groot
gevangen en ontsnapte hij in een boekenkist.”Hoeveel gidsen zullen dit al
niet gezegd hebben?
1621-1631: Uitgeweken naar Frankrijk, ballingschap. In Franse diplomatieke
dienst
1632: Terugkeer en de vlucht naar Hamburg
1632-1645: In Zweedse diplomatieke dienst, standplaats Parijs
1645: Overleden te Rostock
Leidse universiteit als internationale ontmoetingsplaats
‘Leiden’ was een universiteit met vier faculteiten, de theologische,
juridische, de medische en de faculteit van de vrije kunsten: Hebreeuws,
Grieks en Latijn. Door de grote internationale ‘input? ondergingen de ‘
Leienaren’ veel nieuwe invloeden.
Dat Hugo de Groot aan de Leidse universiteit rechten ging studeren stond al
vroeg vast.?Leiden`was toen wereldberoemd en een ontmoetingsplaats van
allerlei denkers die in contact stonden met alle Europese universiteiten.
Studenten en professoren kwamen uit geheel Europa. Dankzij het Latijn
verstond men elkaar. Wetenschap werd pragmatisch beoefend. Hugo de Groot
liet geen gelegenheid voorbij gaan om met geleerden van formaat contact te
zoeken – met historici, theologen, juristen en politicologen – en verwerkte
hun kennis in eigen publicaties.
Publicaties van Hugo de Groot
Politicologie: Hugo de heeft drie belangrijke studies verricht waarin hij de
republikeinse regeringsvorm bepleitte (De republica emenenda, De antiquitate
republicae bataviae, Parallelon Rerum Publicarum)
Geschiedenis: De antiquitate reipublicae batavicae (een gemytologiseerd
verhaal)
Letterkunde: De Groot publiceerde treurspelen, leerdichten, vertalingen, een
gezangenboek en een speciaal leerdicht – Bewijs van de ware godsdienst -
waarvoor veel belangstelling ontstond. Het zou zelfs in het Arabisch worden
vertaald.
Theologie: Zijn Annotationes (Aantekeningen bij het Oude en Nieuwe Testament) zouden
in 1679 opnieuw in 3 delen worden uitgegeven Opera omnia theologicae. Ze
hebben een oecumenische strekking.
Volkenrecht:
Motto van De Groot: ”Waar het rechtsoordeel ophoudt, begint de oorlog.”
1604 De iure praedae (over het buitrecht) in opdracht van de VOC. In 1864
herontdekt en opnieuw uitgegeven.
1609: De mare liberum (over de vrije zee), één hoofdstuk uit De Iure ac
pacis. Apart gepubliceerd voor verschijning van het volledige werk.
1625: De iure belli ac pacis: Grondslag voor moderne natuurrecht en
volkenrecht.
Advocatuur:
1631: Inleydinghe tot de Hollandsche rechtsgeleerdheidt (de Groot was toen
advocaat (sinds 1599).
Literatuur over H. de Groot:
Henk Nellen, Hugo de Groot. Een leven in strijd om de vrede, 1583 – 1645
uitgeverij Balans (2007)¬ Nellen schreef een zeer gedetailleerde,
bewonderenswaardige, biografie.
H. Wansink, Politieke wetenschappen aan de Leidse universiteit, 1575-1650
(Utrecht 1981)
Jan & Annie Romein, Erflaters van onze beschaving (-) (Amsterdam 1971)
E.H. Kossmann, Politieke theorie en geschiedenis (Amsterdam 1987)
=====================================================
HEILIGEN
Inmiddels zijn er heiligen en zaligen in overvloed. Wie wil weten welke bekende heiligen er zo al erkend zijn en wat de reden van hun verheven status is, kan zijn hart ophalen aan het prachtig uitgegeven boek van de uitgeverij Ludion. Lezing daarvan is ook nuttig als je ze op schilderijen tegenkomt. Wat blijkt? Allen hebben in elk geval heel erg geleden om hun geloof in stand te houden dan wel te verkondigen. Het zijn altijd mooie verhalen. Van de heiligen uit de zgn. heidense tijd is de wonderschone Agnes een fraai voorbeeld. Zij weigerde aan de godin Vesta – de Romeinse godin van het haardvuur/het gezin, wier tempelvuur onderhouden werd door zes maagden – te offeren. Agnes werd naar een bordeel verbannen, waar een jongeman haar probeerde te verkrachten, dood neerviel, maar door Agnes’ voorspraak subiet tot leven gewekt werd. Of Agatha. Zij, van huis uit christin, weigerde niet alleen aan de goden te offeren, maar vertikte het bovendien de maîtresse te worden van keizer Quintianus. Naar een bordeel verbannen, bleef zij toch maagd… Vervolgens gevangen gezet, liet de keizer haar borsten afsnijden en moest ze over glasscherven en gloeiende kolen lopen. Maar, toen dat laatste gebeurde ontlaadde de vulkaan de Etna zich in woedde, waarna de bewoners van een bedreigd dorpje smeekten haar de vrijheid te geven. De Roermondenaar die wil weten waarom het plaatselijk ziekenhuis naar Laurentius genoemd is, hoeft niet meer lang te zoeken. Hetzelfde geldt voor de bewoners van Wassenaar die nieuwsgierig zijn naar de naamgeefster van de psychiatrische kliniek ter plaatse, Ursula.
Lang was het Vaticaan – als reactie op de Reformatie – terughoudend om hemelse grootheden zalig of heilig te verklaren. Protestanten geloofden niet in roomse mirakelen. Een speciaal jezuïetencollege genoemd naar de stichter Jean Bolland, de Bollandisten, ontnam zelfs velen hun heilige status, waaronder Heinrich von Suzo, de middeleeuwse kluizenaar die water dronk in vijf teugen, naar het aantal wonden van Christus en die zijn dagelijkse appeltje in vier partjes consumeerde. Drie in naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, en het vierde partje nogmaals voor de Zoon, maar nu ongeschild. Johan Huizinga schreef over hem in zijn Herfsttij der Middeleeuwen.
Rosa Giorgi, Heiligen (uitgeverij Ludion) kleurendruk, met een uitvoerige index.
===============================================================
DE ANDERE 18E EEUW
Verlichte satirici, oproerkraaiers, schuinsmarcheerders en oplichters
De beter gesitueerden droegen in de 18e eeuw pruiken, maar ze waren zeker niet niet bij uitstek fatsoenlijke, ijdele burgers, levend van het geërfde kapitaal, in prachtige buitenhuizen aan de Vecht. Lieden die alleen geïnteresseerd zouden zijn in de Franse cultuur: de aanleg van hun tuinen, meubilair, literatuur en filosofie. Voor wat betreft de Nederlandse letterkunde, vooral geïnteresseerd in Pieter Langendijk, Hiëronymus van Alphen, Wolff en Deken, Justus van Effen en Bellamy. Nu weten we dat er toen ook een structurele werkloosheid bestond met alle bijbehorende sociale problemen en dat er wel degelijk nagedacht werd over de oplossing daarvan en – niet te vergeten – een nieuwe staatsinrichting. Recent onderzoek, zoals van André Hanou, heeft ook geleerd dat het grote publiek meer geïnteresseerd was in een heel ander soort schrijvers. Over de hoofd- en bijfiguren onder hen hebben vrienden van Hanou een bundel samengesteld ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar. Dankzij hen kennen we Nicolaas Hoefnagel, uitgever van veelgelezen ranzige roddelbladen waarin verhaald werd over het rosse leven en die zelf als deelnemer daaraan, zou doodgaan aan de syfilis. Meer bekend zijn nu ook de vrijmetselaar en literator Johannes Kinker (Amsterdam!) en vooral de vrijdenker Jacob Campo Weyerman. Jan van Hoogstraten met zijn de Schimp- en Hekeldigten en de deïst Pieter Bakker, schrijver van De godsdienst zonder bijgeloof , gehaat door gereformeerden en die, na allerlei financiële verwikkelingen, zelfmoord pleegt. Nu is ook meer bekend van de patriot Gerrit Paape, die de anti patriottische geestelijken op de korrel nam en de patriottenbeweging beschreef. Hetzelfde geldt voor de predikant Philippus Verbrugge, die tegen een redelijke vergoeding de kant van de stadhouder koos. Maar de meest curieuze is toch Weyerman, naar wie nu een wetenschappelijk tijdschrift vernoemd is. Begonnen als beroepsmilitair. Ontslagen vanwege een affaire met een gehuwde vrouw die hij had opgelicht. Uitgever van satirische weekbladen die een groot commercieel succes waren. Daarin nam hij bekende personen op de hak en bedreigde anderen daarmee als …ze hem niet afkochten. Met groot succes was hij ook toneelschrijver, acteur, schilder en ….louche kunstinkoper. Opmerkelijk is dat hij (ongestraft) ook rabbijnen en rijke joden belachelijk maakte. Wie geïnteresseerd is in de Verlichting en verlost wil worden van allerlei gevestigde opvattingen moet deze bundel zeker lezen.
Cis van Heertum en anderen (redactie) De andere achttiende eeuw Uitgeverij Vantilt paperback, 304 bladz. Met index en illustraties.
