Essays

Samenvatting proefschrift André de Bruin

Het ontstaan van de schoolstrijd. Onderzoek naar de wortels van de schoolstrijd in de Noordelijke Nederlanden gedurende de eerste helft van de 19e eeuw; een cultuurhistorische studie (proefschrift RUL Leiden 1985). Promotor prof. dr. I. Schöffer. Handelsuitgave. (Barneveld 1985) 364 pagina’s.

In Het ontstaan van de schoolstrijd zijn de oorzaken in de eerste helft van de 19e eeuw onderzocht. Aangetoond is dat deze strijd, voor sommige protestantse auteurs een “Tweede 80-jarige Oorlog”, een diepgaand en ingewikkeld wortelstelsel heeft gehad en niet langer beschouwd kan worden als een ideologische controverse tussen Christendom en Verlichting die uitliep op een alles overheersende strijd van vele christelijke ouders voor “vrijheid van onderwijs” tegen de Nederlandse staat die daarbij tot zondebok werd aangewezen. Deze ‘oorlog’, zo wordt in dit proefschrift  bewezen, was juist in belangrijke mate een strijd tussen een elite van orthodoxe protestanten enerzijds en een selecte groep rooms-katholieken anderzijds.

De theocratische opvattingen van de protestanten hadden een nieuwe dimensie gekregen door de maatschappelijke tegenslagen en rampen die vooral in de eerste helft van de 19e eeuw zo talrijk waren. Sommige orthodoxen (gereformeerden) verwachtten een spoedige wederkomst van Christus. Zij maakten daartoe exacte berekeningen en hoopten dat, voor het zover was, velen zich hadden bekeerd tot “het ware geloof. ” Bovendien waren ze erg verontrust dat in de openbare school het niet toegestaan was katholieken te bekeren. Zij beoogden al met al de redding van eigen en andermans ziel en volgens sommigen indirect tevens de verbetering van de erbarmelijke sociaal-economische situatie waarin het Nederlandse volk zou verkeren, als straf voor zijn goddeloos leven. Deze schoolstrijders wilden daarom de mogelijkheden tot (her)kerstening optimaliseren en vroegen hun regering onder meer om “vrijheid van onderwijs”. Zij maskeerden, om nog niet meer weerstanden op te roepen, hun werkelijke (usurpatorische) bedoelingen door zich te hullen in een liberaal gewaad en vroegen deze vrijheid daarom uitsluitend voor eigen kinderen. Overigens keerden de orthodoxen zich niet alleen tegen elkaar, maar ook tegen vrijzinnige christenen, tegen de joden en tegen degenen die een “biddeloos bestaan” zouden leiden. Zelfs de ethisch- irenische protestanten leverden hun bijdrage aan de strijd door – toen gedurende de jaren 1840 de discussies over godsdienst en onderwijs opnieuw waren opgeleefd – vanuit hun conceptie niet alleen stelling te nemen tegen de openbare volksschool , maar ook tegen de orthodoxe visies op Kerk, samenleving en onderwijs.Aan katholieke zijde was men lang niet ongelukkig met de openbare algemene gezindteschool, omdat het daarin niet toegestaan was, zoals in de 17e en 18e eeuw, katholieken te bekeren tot het gereformeerde geloof. De Onderwijswet van 1806 had dit namelijk verboden. Sindsdien was de openbare lagere school een school voor alle gezindten. Onderwijs in de godsdienst was nu facultatief.

Deze afwachtende houding verdwijnt geleidelijk naarmate de rooms-katholieke kerk zich, na 1853, beter had kunnen ontplooien. In pamfletten en tijdschriften werd geprobeerd duidelijk te maken dat het rooms-katholieke geloof “voortreffelijk” was. Beter dan enig ander.Een opvatting die in een reeks van encyclieken zou worden gepreciseerd. In de eerste, uit 1832, werd overigens al duidelijk gemaakt dat de Kerk alle nieuwe ideeën, ja zelfs de gewetensvrijheid, volstrekt afwees. De rooms-katholieke opleving werd mogelijk nadat, dankzij de liberale grondwet van 1848, de paus van het recht gebruik maakte in Nederland bisdommen in te stellen (april 1853). Een besluit dat leidde tot een nationaal protest van protestanten, de zgn. Aprilbeweging. De koning ontving een delegatie van verontrusten met alle egards en empathie, om Thorbecke te provoceren. Deze trad daarom af. De koning had gehandeld in strijd met de ministeriële verantwoordelijkheid, in 1848 in de grondwet vastgelegd. Naarmate de RK kerk beschikte  over meer geestelijken werd duidelijk gemaakt dat men ook eigen onderwijsvoorzieningen wilde (1865). Ja, in 1871 werd door rooms-katholieke notabelen in Amsterdam (de hoofdstad!) zelfs betoogd dat het kerkelijk recht van een hogere orde was dan het staatsrecht. Stap voor stap zou aan de onderwijswensen van de protestantse en katholieke kerkelijke leiders worden tegemoetgekomen. Dankzij de volledige financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs (1917) en de pauselijke onderwijs encycliek van 1929 zou het rooms-katholiek onderwijs zich volledig kunnen ontplooien en wel volgens de ultramontaanse principes: scheiding  van jongens en meisjes, rk lesmateriaal, strenge tucht, kerkelijke plichten, een streng toeziende eigen schoolinspectie. Een fase die in Limburg, waar weliswaar in de openbare scholen ook katholieke onderwijzers werkzaam waren, diep ingreep. Deze fase is in mijn Noord-Limburg integraal bekeken 1850 – 1950 (Sittard 2010) beschreven. Dit is niet eerder zo gebeurd.Voor zover bij de regering, ondanks alle democratisch getinte geluiden en van ultra’s uit het protestantse en rooms-katholieke kamp, nog enige twijfel mocht resteren over hun ware bedoelingen dan deden deze rechtzinnigen zelf toch wel hun uiterste best deze geheel te doen verdwijnen door elkaar te betichten van usurpatorische/theocratische intenties. De Oranjevorsten kwamen hierdoor wel tussen zeer hete vuren te staan maar probeerden desondanks verdraagzaamheid te bevorderen door waar mogelijk de gulden middenweg te bewandelen en zo verantwoord mogelijk vast te houden aan het ideaal van de openbare volksschool die de integratie moest bevorderen. Zij hoopten dat wanneer jongeren in een sfeer van verdraagzaamheid opgevoed zouden worden, de samenleving daarbij wel zou varen. Deze onderwijsfilosofie werd uiteraard vooral door theocraten van protestantse en katholieke signatuur afgewezen. Deze orthodoxen op hun beurt propageerden een pedagogisch alternatief waarin de hoofdaccenten werden gelegd op leerstellig godsdienst onderwijs en het onderricht in de vaderlandse, dwz. vooral de eigen, geschiedenis. Verdere polarisatie was daardoor onvermijdelijk, hoewel de voorstanders van een dergelijk onderwijs beweerden dat door het stichten van afzonderlijke gezindtescholen de godsdienstige tegenstellingen in de samenleving belangrijk zouden afnemen. In werkelijkheid zou deze ontwikkeling zeer bijdragen aan de verzuiling van onze sament. Tenslotte zijn de conclusies van het gehele onderzoek vergeleken met vijf onderscheiden mythen van de schoolstrijd, afgeleid uit de confessionele historiografie: de mythe van de antithese; de mythe van het conventionele vrijheidsgraden; de mythe van de confessionele eensgezindheid; de mythe van de vaste confessionele koers en de mythe van het confessionele pedagogische alternatief .

P.S. Het reeds lang uitverkochte proefschrift is soms antiquarisch te koop. De schrijver heeft nog enkele exemplaren, inclusief 14 stellingen, voor € 50 inclusief verzendingskosten. Het verschuldigde bedrag dient te worden overgemaakt op naam van de auteur en gironummer 76664 t.n.v. AA de Bruin CJA de Bruin-Verheij te Sevenum.  Enkele stellingen die nog steeds actueel zijn :

4. “Het is gewenst nader medisch-geografisch te verrichten naar ‘het potentieel sterftecijfer’, waaronder verstaan wordt het aantal zieken per 1000 bewoners met een, naar het oordeel der tijdgenoten, hoog sterfterisico.

5. “Van ‘katholieke herleving’ kan in de eerste helft van de 19e eeuw voornamelijk gesproken worden waar het de orthodoxe katholieken betreft; verlichte katholieken werden juist door hen weggedrukt.”

6. “L.J. Rogier was ten onrechte geneigd de protestanten als de hoofdschuldigen van het antipapisme te beschouwen.”

7. “Het gebruik van het begrip trend in de geschiedschrijving kan bijdragen tot een finale  kijk op de geschiedenis.

11. “Om de democratie in Nederland niet te doen verbleken ten gevolge van politieke compromissen, dient de Hoge Raad het toetsingsrecht te krijgen.”

==============================================================================

G R O N D W E T   A R T I K E L  23

Integratie moet gericht zijn op de hele maatschappij, op allochtonen én autochtonen, ook in Limburg. Dit met het doel de samenleving optimaal te harmoniseren. Het totale onderwijs – ook het in Limburg dominante katholieke – moet daaraan integraal worden aangepast. Ook Limburg is geëmancipeerd! Rooms-katholieke scholen zijn, grondwettelijk gezien, alleen verdedigbaar als het gehele onderwijs godsdienstig/kerkelijk georiënteerd is. In Limburg wordt geprobeerd een groei van het openbaar onderwijs tegen te werken. Soms wordt het ingekaderd in een bestuursconstructie waarin de confessionele bestuurscomponent domineert. De invloed van gemeentebesturen kan worden gereduceerd door alle openbare scholen onder te brengen in een autonome vereniging of stichting met een pluriforme identiteit en navenant  bestuur.

 Grondwetswijziging

Integratie impliceert allereerst wijziging van het derde lid van artikel 23 dat nu alleen betrekking heeft op het openbaar onderwijs.”Daarin staat: “Het openbaar onderwijs wordt met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.

Dat dient gewijzigd, dwz uitgebreid te worden in:  “Het (openbaar én bijzonder) onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing, bij de wet geregeld.” Daardoor krijgen de overige termen van het artikel (deugdelijkheid, keuzevrijheid van leermiddelen en personeel alsmede de financiering van bijzonder onderwijs naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs) een duiding die spoort met hetgeen sociaal en pedagogisch wenselijk is. Bovendien sluiten ze aan bij de emancipatorische ontwikkeling van alle Nederlanders. Financiering uit de openbare middelen wordt dan alleen mogelijk als niet gepolariseerd wordt. Scholen die ‘haat’ zaaien, welke dan ook (protestants, katholiek of islamitisch) moeten geheel worden verboden. Bij godsdienstige polarisatie vervalt de overheidsfinanciering van die vakken waarin dat plaatsvindt.

Onderwijswetgeving aanpassen

Na de grondwetswijziging moet de onderwijswetgeving worden aangepast. Uitgangspunt behoort dan te zijn dat elke school, lager en hoger, in principe recht heeft op financiering van de reguliere vakken. Daartoe zouden ook  geschiedenis als verplicht examenvak en kennis van het (pluriforme) geestelijk leven moeten worden gerekend. In het hoogste leerjaar van HAVO, Atheneum en Gymnasium bepleit ik een examen in de historiografie in relatie met levensbeschouwing en filosofie. Specifiek godsdienstig/levensbeschouwelijk onderwijs (ook humanistisch vormingsonderwijs) moet op alle scholen facultatief (!) worden aangeboden en uit de algemene middelen betaald worden.

Consequenties

Confessionele scholen met een levensbeschouwelijk homogene bevolking blijven – onder voorwaarden (zie boven) – bijzonder confessioneel en worden geheel dan wel gedeeltelijk gefinancierd uit de openbare middelen. Confessionele scholen met een pluriforme bevolking (dat zijn de meeste) staan voor een heldere keuze: Ze worden openbaar (gemeentelijk) of algemeen bijzonder (op basis van een vereniging of stichting, met een pluriform bestuur). Daar wordt dan volledig recht gedaan aan de identiteit van alle onderwijsgevenden en – ontvangenden. Om organisatorische en pedagogische redenen wordt aan de grootte van elke schoolbevolking een bovengrens vastgesteld.

Conclusie 1

Reconstructie van het Nederlandse onderwijs is maatschappelijk noodzakelijk. Partijen die vasthouden aan de status quo belemmeren de noodzakelijke integratie en harmonisering van de samenleving. In het voortgezet onderwijs handhaven ze bovendien de pedagogisch en didactisch onwenselijke mammoetscholen. In het basisonderwijs belemmeren ze het ontstaan van “brede scholen”: scholen met dienstverlenende voorzieningen voor allen om de onderwijskansen te vergroten. Wijziging van artikel 23 en de onderwijswetgeving is een kwestie van gezond verstand en beschaving!

Ouders in Limburg die openbaar onderwijs willen moeten een vuist maken. Opponeren waar dat mogelijk is. Op den duur is het verstandig alle openbare schollen onder te brengen bij de Vereniging van Bijzondere scholen op algemene grondslag. Opdat ze definitief bevrijd worden van de invloed van hun tegenstanders in gemeenteraden.

 Conclusie 2

Het huidige artikel 23 is strijdig met het non-discriminatie beginsel zoals verwoord in het eerste artikel van onze grondwet. Dit luidt: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

 Opvatting CDA

Strijdig met het harmoniseringsprincipe is dat sommige politieke partijen, op grond van het huidige artikel 23, stellen dat bijzondere scholen leerlingen moeten opnemen als … de ouders de grondslag willen respecteren. Daarmee accepteren ze een vorm van ‘apartheid’. Ik ben van  mening dat scholen die gefinancierd worden uit de openbare middelen ouders en leerlingen (conform het nondiscriminatiebeginsel) levensbeschouwelijk behoren te respecteren. Maar, boven alles verwerp ik de opvatting van het CDA, verwoord in Brugge het verkiezingsprogramma, dat “bijzondere scholen hun identiteit volop tot uitdrukking mogen brengen.” Ik doe dit te meer gezien het feit dat (door tegenwerking van het CDA en verwante koepels, en niet zelden in deze gesteund door andere partijen) nog steeds vaak alternatieven ontbreken voor confessionele scholen (zoals ten zuiden van de grote rivieren). Daarbij komt nog dat openbare scholen ondergebracht in gemeentelijke stichtingen nog steeds niet autonoom zijn om scholen te stichten. Dat partijleider Balkenende zelfs stelde dat godsdienstonderwijs – dus niet kennis van het geestelijk leven – op alle scholen verplicht (dus niet facultatief) zou moeten worden gegeven, ligt in deze lijn.

Door vast te houden aan de status quo belemmert het CDA niet alleen de  bepleite integratie en harmonisering, maar ook het ontstaan van “brede scholen”, scholen met dienstverlenende voorzieningen om de onderwijskansen voor alle kinderen te vergroten. Wijziging van artikel 23 en de onderwijswetgeving is een kwestie van gezond verstand en beschaving!