Actualiteit
GELOOF IN BESTUURLIJKE DEMOCRATIE IS EEN MYTHE
Wijzig de grondwet !
Door de affiche van de Adresbeweging voor algemeen kiesrecht in de Limburger van 18 augustus krijgt men de indruk dat het streven naar algemeen kiesrecht, in de periode 1917-’19 gerealiseerd, illustratief is voor een toenmalig algemeen verlangen en streven naar volkssoevereiniteit. De werkelijkheid is dat deze verruiming van het kiesrecht eertijds alleen leefde in kringen van liberalen en socialisten.
De Anti Revolutionaire Partij en de Rooms Katholieke Staatspartij waren in principe tegen, maar zouden in 1917/’19 uit berekening daarvoor kiezen. Volkssoevereiniteit was en bleef volgens hen een idee uit de verfoeilijke Verlichting. Een periode waarin allerlei nieuwe ideeën waren ontwikkeld die onder meer mede zouden leiden tot het ontstaan van de Franse Revolutie (1789).
In principe wilden de Antirevolutionairen en de leiding van de RKSP, de laatste gelardeerd met priesters, een of andere vorm van corporatisme. Afgeleid van het middeleeuwse gildewezen, waarin corporaties van werkgevers en werknemers een rol zouden moesten kunnen spelen. Aan katholieke zijde werd deze visie gedicteerd door Rome. Dat verklaart dat de RKSP een 1936 een studiecommissie instelde om een corporatistische staatsvorm te introduceren ter vervanging van het parlementaire systeem. Dat de confessionelen daarin niet alleen stonden bewijst de opkomst van de Nationaal Socialistische beweging, uit 1931. Ook het toenmalige (confessionele) staatshoofd deelde dergelijke opvattingen. [1]
Het besef dat niet iedereen na 1917/19 uit overtuiging naar de stembus zou gaan blijkt uit de tevens ingevoerde opkomstplicht. In 1971 werd die afgeschaft.
Anders gezegd: dat sindsdien de opkomstpercentages daalden en dat wellicht in 2012 slechts 70% zijn stem zal uitbrengen, behoeft geen verbazing. Aanhangers van de Partij voor de Vrijheid hechten zelfs niet aan partijdemocratie en het aantal actieve leden van democratische politieke partijen is opmerkelijk laag.
Ondanks deze trends wordt er toch gepleit voor minder volksvertegenwoordigers op alle niveaus. Terwijl men zou mogen verwachten dat door de complexiteit van de nationale en internationale problematiek volksvertegenwoordigingen zouden moeten kunnen beschikken over een optimaal aantal gekwalificeerde vertegenwoordigers om hun taak naar behoren uit te voeren. Inmiddels wordt door het kabinet Rutte 2 geijverd om een aantal provincies samen te voegen waardoor de afsatnd tussen overheid en burger nog groter wordt, Zelfs woirdt ervoor gepleit de intergemeentelijke overleg organen (wijkraden etc) af te schaffen.
[1] Zie voor details: André de Bruin Noord Limburg integraal bekeken (Sittard 2000) 179 e.v.
=======================================================================
150 jaar LGOG. Van harte gefeliciteerd
Maar, hoe nu verder?
Zoektocht naar historische sensaties
dr. André A. de Bruin
150 jaar na de oprichting van de LGOG is er alle aanleiding om stil te staan bij de historische en huidige betekenis daarvan en suggesties te doen om nieuwere wegen in te slaan. Met respect voor wat in anderhalve eeuw gepresteerd is.
De oprichting van de LGOG (1863), die van verenigingen als de Limburgse Liga (1925) en Hendrik Veldeke (1926) hebben plaatsgevonden in een besloten culturele context. Limburg en haar (‘katholieke’) cultuur moesten gekoesterd en bestudeerd worden tot in lengte van zeer, zeer vele jaren. De oprichters hadden het gevoel in allerlei opzichten door ‘Hollanders’ gedomineerd, zo niet cultureel bedreigd, dan wel niet serieus genomen te worden. Gevoelens mede gebaseerd op militaire confrontaties en veroveringen sinds 1572. Op ervaringen en beeldvorming daarna. Deelname aan nationale herdenkingen, de bevrijding van Brielle (in 1872) en andere ‘spectaculaire’ gebeurtenissen uit de Nederlandse Opstand, werden geboycot. Toen was, volgens katholieke overheden, de repressie van de katholieken begonnen. Protestanten en liberalen die in Limburg wél meededen konden erop rekenen dat de nationale vlag, zo zij die hadden durven uitsteken, door jonge, door pastoors dan wel kapelaans, opgehitste druktemakers werd verwijderd. Het rood-wit-blauw gold als het symbool van een ‘vijandige’ cultuur. Oranje kwam daarvoor een tijd in de plaats; waarbij gedacht werd aan koning Willem II die de katholieken welgezind zou zijn geweest. Pas in 1913 werd door de bisschoppen voor het eerst deelgenomen aan de viering van een Nationale herdenking: 100 jaar Koninkrijk der Nederlanden, zij het dat de viering gecombineerd werd me twee katholieke jubilea. En, met het begin van wat genoemd werd “de emancipatie der katholieken”. Overigens, een ontwikkeling van bovenaf geleid, die in principe alleen de collectieve emancipatie, niet de individuele, beoogde.
De anti-Hollandse toon van de Liga was zó agressief geweest dat zij zelfs voor het episcopaat niet acceptabel was. Maar met Veldeke werd die toon al een jaar later bijgesteld. Het hoofdaccent kwam te liggen op studie van dialect, historie én letterkunde. De LGOG en haar voorgangers beijverden zich de Limburgse geschiedenis – maar in principe niet meer dan dat – te bestuderen en daarmee werd een wetenschappelijke weg ingeslagen. Bronnenonderzoek vond plaats en tal van publicaties werden uitgegeven. Bij de activiteiten van de LGOG gaat het nog steeds om de Limburgse geschiedenis en de archeologie, genealogie en monumentenzorg. Met activiteiten als lezingen, excursies, reizen, congressen, tijdschriften- en boekpublicaties. De vereniging telt inmiddels weliswaar tien Kringen maar heeft relatief, per Kring, weinig leden. Bestuursvacatures zijn nogal eens een probleem. Betrokkenheid van geschiedenisleraren en leraren basis- en voortgezet onderwijs voor de LGOG is minimaal. Wie bijeenkomsten bezoekt ziet dat de meesten nogal bejaard zijn en vooral geïnteresseerd in lokale geschiedenis. Voor een integrale benadering van godsdienstige, politieke, sociale, medische/volksgeneeskundige/volksgelovige, pedagogische en kunstzinnige situaties en processen lijkt men, uitzonderingen daargelaten, minder oog te hebben. Ik volgde deze benadering in Noord-Limburg integraal bekeken. Zoektocht naar de wortels van een cultuur 1850-1950.
Mede omdat het onderwijs in de geschiedenis in het middelbaar onderwijs reeds lang facultatief is geworden en nu – landelijk gezien – amper 50% examen aflegt, moet gevreesd worden dat na enkele decennia de vitaliteit van de LGOG nog meer zal zijn aangetast. Wat daartegen te doen? Allereerst zal men zich moeten realiseren dat de huidige identiteit van Limburg met allerlei Nederlanders en buitenlanders steeds pluriformer is geworden. Dat Limburg eurogebied is geworden. En dat daarmee ook haar geschiedenis verbreed is. Sommige historici zijn nu zelfs van mening dat dé Limburgse identiteit niet meer bestaat. Op het gevaar af gekruisigd te worden, neem ik de vrijheid de LGOG enkele suggesties te doen voor een vitaliserend beleid voor de korte en langere termijn.
Aanbevolen worden andere thema’s en accenten.Voor de hand ligt dat men, net als in het verleden, aandacht zal blijven schenken aan de lokale geschiedenis. Vooral wanneer er in een gemeente geen heemkundige vereniging bestaat. Wellicht is er dán aanleiding voor (een) aparte werkgroep(en). Wel is er heemkundig wel wat te wensen. Zo zou men de dorpspolitiek van de verschillende gemeenten kunnen vergelijken. De invloed van notabelen en pastoors kunnen traceren. Continuïteit van bestuur signaleren en verklaren. De kerkelijke invloed op het politieke, recreatieve, georganiseerde bedrijfs- en verenigingsleven onderzoeken. Nagegaan zal moeten worden wanneer er sprake is van secularisatie; zoals Zuid-Limburg en hoe daartegen is opgetreden. Op deze wijze zou men bijdragen aan een integrale geschiedschrijving. Vooral die geeft zicht op de historische realiteit. Aan de Nederlandse Opstand zou, in een ruimer – 16de eeuws – kader meer aandacht kunnen worden besteed. Niet alleen aan de verzetsmotieven hier en elders en aan het Kerkelijk gesteunde, naar absolute macht strevende, regiem van de koning van Spanje/Heer der Nederlanden. Maar ook aan het wederzijdse (!)optreden tegen de burgerbevolking van het verzet én de overheden.Om dichter bij huis te blijven: Niet alleen aan de moord op de volstrekt onschuldige Kartuizers in Roermond, de Gorkumse martelaren en Limburg als generaliteitsland, maar ook aan de moord op Willem van Oranje, de wandaden van de Spanjaarden in Naarden, Zutphen, Haarlem, de Bloedbruiloft in Parijs en aan de protestanten die verbrand zijn; te beginnen met Jan de Bakker (1525). Aan Het optreden van Alva’s Raad der Beroerten (“de Bloedraad”, in de jaren 1572-76), verantwoordelijk voor honderden executies.) In dat verband mag evenmin voorbij worden gegaan aan de geschiedenis van de Inquisitie; vooral actief in de Zuidelijke Nederlanden. Wat de gevolgen zijn geweest voor de bevolking als huurlegers niet op tijd betaald werden; ook bij troepen in dienst van de Spaanse koning op Nederlandse bodem.Verder in de tijd zou aandacht besteed moeten worden aan het rooms-katholieke beschavingoffensief na de Franse revolutie. Waarin nieuwe ideeën, wetenschappelijke ontdekkingen, bijbelkritische publicaties nadrukkelijk werden veroordeeld. Toen terug gezien werd naar de 13e eeuw als ideaal referentiekader. Toen de samenleving, naar gemeend werd, nog hiërarchisch d.w.z. harmonisch georganiseerd was en de Kerk geheel in het centrum van de samenleving stond. In Limburg werd in de 19e eeuw daarom alles ingezet voor een remissionering. Pierre Cuypers zou deze uitdrukken in de een neogotische bouwstijl. In Limburg zou het door Rome geïnspireerde beschavingsoffensief, dank zij diverse (buitenlandse) congregaties, ook leiden tot een intensievere verzuiling. Tot allerlei instellingen voor recreatieve, (sociaal)medische zorg en onderwijs, beide mede gericht op kerstening. Zelfs boerenbonden en banken kregen een rooms-katholieke identiteit. Met Katholiekendagen en allerlei processies waarbij plaatselijke bevolkingen werden gemobiliseerd.
Vanuit het heden terugblikkend naar het totale beschavingproces zou men nu oog moeten hebben voor het feit dat er in de geschiedenis van de Rooms-katholieke Kerk een rechte lijn loopt van Gregorius XVI, met zijn encycliek Mirari Vos (1832) (waarin onder meer de vrijheid van geweten werd veroordeeld), via Pius IX (met Vaticanum I), de aan hem door RK kerkelijke en politieke leiders in Amsterdam beleden absolute trouw bij de viering van zijn zilveren ambtsjubileum, de integralist Pius X die in 1910 met een antiprotestantse encycliek in Nederland bijna een kabinetscrisis veroorzaakte, naar de herdruk rond 1950 van diverse encyclieken [waaronder Mirari Vos, de onderwijsencycliek van 1929, Quanta Cura en latere encyclieken gericht tegen het socialisme en modernisme]. Dat, zo gezien het provocerende Bisschoppelijk Mandement van uit 1954 niet uit de lucht kwam vallen. De verkiezing van paus Paulus VI (1963) na Johannes XXIII (die zijn Kerk bij de tijd had willen brengen), resulteerde in benoemingen van zeer vele behoudende kardinalen en bisschoppen. Een ontwikkeling die tot gevolg had dat de, inmiddels geseculariseerde en seculariserende Limburgse bevolking, steeds meer op afstand kwam van de Kerk van haar voorvaderen.
Zo gezien vormen Johannes XXIII met zijn Mater en Magistri en Pacem in terris – beide in een gehumaniseerde toonzetting), Vaticanum II en het Pastoraal Concilie van Noordwijkerhout, al met al een intermezzo. Een inzicht waaraan volstrekt voorbij wordt gegaan in Bisdom langs de Maas (-). Gregorius XVI wordt daarin alleen genoemd als architect van het kerkelijk herstel, met zijn encycliek Ubi Universalis ecclesia (1839). Frappant is ook dat de institutionele ontwikkeling van de Kerk, mogelijk gemaakt door de liberale grondwetsherziening van 1848 door de Kerk is toegeschreven aan de werking van de Heilige Geest (zoals verwoord in de breve Ex qua die (1853). Toch zouden Limburgers wel inzien dat deze grondwettelijke vrijheden te danken waren aan Johan Rudolph Thorbecke. Daarom zouden zij (de zgn. Thorbecko-liberalen) bij het overlijden van de grote staatsman financieel bijdragen aan de realisering van een standbeeld in Amsterdam. Vooral in Roermond gebeurde dat.
Opmerkelijk is nog steeds ook de eenzijdige beoordeling van de “sociale encycliek” van Leo XIII uit 1891 (Rerum Novarum), 40 jaar later gememoreerd. Toch beoogde deze ook een totaal andere staatsinrichting dan de parlementaire; te weten een corporatistische. Niet toevallig is dat de Rooms Katholieke Staatspartij (RKSP) in 1937 – in de crisistijd – een rapport uitgaf met het doel het parlementaire stelsel te vervangen door een integraal corporatief systeem. Mede in dit verband is het ook niet zo verbazingwekkend dat de Nederlandse Unie (warm aanbevolen door de bisschoppen) zich uitsprak voor een corporatistische bestuursvorm. Dat de Unie Joden niet toeliet tot bestuursfuncties spoort met het antisemitisme dat door de bisschoppen, respectievelijk in 1865 en 1924 in decreten was gereactiveerd. Hierin was opgeroepen joden te boycotten. Zo gezien, is het, zeer waarschijnlijk, niet alleen tactiek geweest dat in het overleg van de Kerken met Seyss Inquart (opnieuw) onderscheid werd gemaakt tussen gekerstende en (nog) niet gekerstende joden. Alleen gepleit werd voor de gekerstende. Bijna onbegrijpelijk, zonder kennis van het voorafgaande, is dat op het Pastoraal Concilie van Noordwijkerhout (1968-1970), wel over het laatste decreet werd gesproken, maar dat kardinaal Alfrink het intrekken daarvan niet opportuun achtte. Zelfs zou men bij dit alles moeten durven nagaan of er niet ook een relatie is geweest tussen het antisemitisme in Limburg en het succes van de NSB. Dat alles laat overigens onverlet dat (vooral Limburgse) geestelijken een groot aandeel hebben gehad in het passieve verzet. Wat het actieve verzet betreft zou men ook kritisch moeten durven stilstaan bij zeer riskante gedragingen van de gewapende groeperingen, die toevalligerwijs meestal goed afliepen. Ik denk aan die in Baarlo en Sevenum. Leerzaam is ook, mede ter relativering van het lokale verzet, een vergelijking te maken van het Limburgse verzet met het Nederlandse en Duitse.
Opmerkelijk is voorts dat binnen de LGOG nog steeds voorbij wordt gegaan aan de betekenis van het Noord-Nederlandse feminisme voor de individuele emancipatie van de Limburgse vrouw. Ook zou stilgestaan moeten worden bij staatsrechtelijke thema’s die van landelijke en Limburgse betekenis zijn. Belangrijk voor de sociale geschiedenis, omdat kiesrecht zolang verbonden was aan welstand. In 2013 wordt de geboorte van ons koninkrijk herdacht. Zij biedt de gelegenheid aandacht te besteden aan de staatsrechtelijke geschiedenis van Nederland, de ideeën over politieke en maatschappelijke vernieuwing in de 18e eeuw, discussies die gevoerd zijn door patriotten in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. De geboorte van het Koninkrijk der Nederlanden. En, de gevolgen daarvan voor Limburg.
Een belangrijke suggestie is de groei van de Europese Gemeenschap sinds de Benelux en de EGKS en de betekenis daarvan voor Nederland en …Limburg. Feit is ook dat Limburg sterk georiënteerd was en is op Duitsland. Daarom is ook een bredere kennis van de Duitse geschiedenis belangrijk. Een die verder gaat dan de Kulturkampf (waarvan meestal een voor de katholieke wereld negatief beeld wordt gegeven) en de praktijken van Hitler-Duitsland. Eenzelfde aandacht verdient, om andere redenen, het ontstaan van Limburg als pluriforme gemeenschap in het verleden (mijnbouw), alsmede de gevolgen daarvan en nu die van de Poolse arbeiders. Een nieuwe Limburgse bevolkingsgroep. Een andere doelgroep van de LGOG vormen de ouders van examenkandidaten, met geschiedenis in hun pakket. Het moet mogelijk zijn ook daar een avond aan te wijden. Dit om hen en hun kinderen te betrekken.
Externe en interne communicatie. Media-aandacht voor historische kwesties is van het grootste belang. Elke Kring zou moeten beschikken over een lid die goede persberichten kan maken. De media zouden een speciale medewerker moeten belasten met berichtgeving over historische activiteiten. Afdelingen/Kringen zouden ledenlijsten met email moeten maken om onderlinge contacten te stimuleren. Bibliotheken, Kringen van de LGOG, zouden zich moeten abonneren op populair historische tijdschriften, zoals Het Historisch Nieuwsblad. Met het doel de blik te verruimen. Zeer te waarderen is dat het Limburgs Museum steeds lang tevoren tentoonstellingen van historisch belang aankondigt. Waarbij soms ook suggesties gedaan worden voor lezingen, in combinatie met een museumbezoek.
Samenstelling besturen herzien. Gelet op de gedane suggesties verdient het aanbeveling besturen, te beginnen met het hoofdbestuur, breder samen te stellen. Ik denk aan werkgroepen uit en van het hoofdbestuur van ‘generalisten’, historici en historisch geïnteresseerden die oog hebben voor en kennis van ontwikkelingen in de Nederlandse en Europese geschiedenis en actualiteit.
Het onderwijs in de geschiedenis is in de loop der jaren te zeer beperkt. Dat weerhoudt mij niet te pleiten om een nieuwe weg in te slaan. Naast de (door het ministerie voorgeschreven) behandeling van de speciale onderwerpen zou ook bijzondere aandacht besteed moeten worden aan de geschiedenis van de geschiedschrijving.Leerlingen wordt dan duidelijk dat een geschiedbeschouwing vaak tijd- en ideologisch gebonden is geweest, wat geïllustreerd kan worden met voorbeelden uit de Grieks-Romeinse tijd, de middeleeuwen, de 17e en 18e eeuw, de romantiek, schrijvers met een confessionele, liberale, socialistische, communistische identiteit. Een dergelijke benadering versterkt bovendien de weerbaarheid tegen populisme.
Alles overziende bepleit ik dus structurele veranderingen in de organisatie, meer variatie in en verbreding van de programmering van de LGOG en heemkundeverenigingen en een betere communicatie naar buiten. Veel ruimte moet orden gelaten aan historische sensaties, gewaagde/provocerende meningen/stellingen. Aan participaties met het Limburgs Museum, politieke partijen, vrouwenorganisaties, culturele verenigingen, Fontys en de Universiteit van Maastricht. Duidelijk moet zijn, geen misverstand, dat ik groot respect heb voor al diegenen die, op welk niveau ook, bijgedragen hebben en bijdragen leveren aan de kennis en de popularisering van het Limburgse verleden.
======================================================================================
‘Slechte’ boeken door de eeuwen heen
De causerie gaat over boeken die verboden of zelfs verbrand zijn. Boeken in het geheim gedrukt werden. Waarvan de schrijvers op een of andere ‘zwarte lijst’ kwamen. In de gevangenis, een concentratiekamp werden opgesloten. Over wie de doodstraf werd uitgesproken. Hun standpunten moesten terugnemen. Omdat ze botsten met godsdienstige of politieke opvattingen. Een eerste voorbeeld is .. . de filosoof Socrates. Wat had het Atheense (democratische) bestuur toch tegen hem? En, waarom werd er inde 18de eeuwgediscussieerd over de vraag of uitgerekend hij nu wel of niet in de hemel was opgenomen?
Wat heet slecht? Was de Goddelijke Komedie (Dante) slecht? De Lof der Zotheid (Erasmus)? Coornherts Synode over de gewetensvrijheid? Gullivers reizen (Swift)? Deugde Voltaire wel? Welke boeken kwamen op de Index van de RK Kerk? Welke boeken werden in Nazi Duitsland verbrand? Waarom kwam Goethe niet op de zwarte lijst?
Waarom moest De zoon van Dik Trom in 1941 uit de bibliotheken verwijderd worden? En, waarom werd Franks van Wezels roemruchte jaren (A.M. de Jong) alsnog vernietigd? Waarom mocht Dokter Zjivago niet in de Sovjet Unie verschijnen?
Wat is er door Jefferson, president van de USA (1743-1826) aangemerkt op de Bijbel, en door Wilders op de Koran? Moet een herdruk van Mein Kampf toegestaan of verboden worden?
En, om dichter bij huis te geraken, bestond er ook plaatselijk een censuur ? En zo ja, hoe werd die uitgeoefend? Maar, waarom kon de jonge Grashoeker Mathieu Smedts (1913-’96), later hoofdredacteur van Vrij Nederland) in de Venlose RK bibliotheek toch de Max Havelaar lezen, terwijl de schrijver (Multatuli) een bekende vrijdenker was?
Wat is ‘de rode draad’ in de historie van de censuur door de hele literatuurgeschiedenis heen? Wat kunnen we daaruit leren? Moet het onderwijs in de geschiedenis op middelbare scholen herzien worden? Ook hierover heeft de inleider een mening!
=====================================================================================================
Op 16 februari vond een congres plaats over Het Onbehagen.
Dit naar aanleiding van het verkiezingssucces van de PVV in 2010 en 2011.
Aan het wetenschappelijk congres namen nemen deel:
dr Andre de Bruin: Geert Wilders quo vadis?Een Nederlandse en Limburgse casus
Prof. dr. Meindert Fennema: Wat is er mis met dit volk?
Dr. Rene Gabriels: Hopeloze kwetsbaarheid; over toenemende ongelijkheid en afnemende solidariteit
Prof. Dr. Herman van Gunsteren: Meningen over onbehagen en gaan voor goud.
Dr. Raf Janssen: Hoop in ellende
Prof. Dr. Frank Koerselman: In het nauw…
‘s Avonds vond een duscussie plaats met politici, bestuurders en publiek .
SUGGESTIES VOOR
POLITIEKE PARTIJEN
Aangezien de PVV de staatsinrichting en daarmee onze democratie ingrijpend willen veranderen is het van belang dat politieke partijen daarover een standpunt innemen. Dat kan naar aanleiding van drie inleidingen
VAN THORBECKE TOT WILDERS
Thorbecke is onze belangrijkste staatsman. Hij heeft de grondslag heeft gelegd voor de huidige staatsinrichting en het parlementaire stelsel die in 1917 verder uitgewerkt zijn. Wilders heeft plannen beide te wijzigen om, naar zijn zeggen, Nederland terug te geven aan de Nederlanders.
Thorbecke wordt door liberalen graag beschouwd als een voorloper van de VVD. Wilders heeft de VVD de rug toegekeerd en de PVV opgericht. Leidt de PVV ons naar een meer gefundeerde besluitvorming of naar populisme? Deze vraag raakt elke politieke partij en iedere Nederlander.
Als een partij afzonderlijk daarover wil discussiëren ben ik bereid daartoe een meer uitvoerige inleiding te houden. Soms zal daarbij ook verwezen worden naar mijn boek Noord-Limburg integraal bekeken, met name wat betreft de crisisjaren jaren 1930 toen zowel confessionele partijen als de NSB het parlementaire stelsel wilden opheffen en vervangen door een corporatief systeem.
WAT WIL GEERT WILDERS IN ONZE STAATSINRICHTING VERANDEREN?
WELKE GARANTIES ZIJN NODIG OM DE VITALITEIT VAN ONZE DEMOCRATIE TE BEHOUDEN?
Belangstellenden worden uitgenodigd voor nader email overleg telefonisch 077 4671151
===========================================================
